"De arbeidersklasse, haar actuele rol
en opdracht.
Concrete taken en ervaringen van de Communistische
Partij binnen de arbeiders- en vakbondsbeweging."
Brussel, 16-18 mei 2008
www.icsbrussels.org , ics@icsbrussels.org
Kameraden,
In naam van de delegatie van de P.T.P.D. (P.D.P.A.T.) dank ik de kameraden van de PVDA voor de organisatie van dit seminarie en het warme onthaal. Ik breng u ook de militante groeten over van de leiding en van alle leden van onze partij en hun beste wensen voor het welslagen van dit seminarie.
Onze aanwezigheid – al voor het tweede jaar op rij – op deze ontmoeting van communistische en arbeiderspartijen, afkomstig uit de vijf continenten, bevestigt de wens van onze partij om haar vriendschapsbanden met jullie partijen te versterken en is een bewijs van onze vastberadenheid om mee te werken aan de heropleving van de communistische wereldbeweging op basis van het proletarisch internationalisme.
Als we het hebben over de arbeidersklasse, haar rol en haar opdracht in deze etappe van de geschiedenis van de mensheid, dan moeten we ons de volgende vraag stellen: welke kracht in de maatschappij is in staat de verstikkende greep van de uitbuitende klassen, de burgerij op kop, op de productie en de maatschappij te doorbreken?
‘Eén ding is zeker’, zei Engels, ‘welke veranderingen zich in de niet-productieve bovenste lagen van de maatschappij ook hebben voorgedaan, deze maatschappij heeft nooit kunnen bestaan zonder een klasse van producenten. Die klasse is dus in alle omstandigheden levensnoodzakelijk.’
Die klasse van producenten in een kapitalistische maatschappij, of in een maatschappij waar het kapitalisme heerst, is geen andere dan de arbeidersklasse. Zij maakt de reproductie en opstapeling van het kapitaal mogelijk, zij brengt de meerwaarde voor de kapitalisten voort. Zij staat in het centrum van het productieproces. Zij produceert en creëert bijgevolg de winst voor het patronaat.
De arbeidersklasse is de sociale groep die zijn arbeidskracht in ruil voor een loon verkoopt om te overleven. En van alle werkers maakt het industriële proletariaat de kern uit van de arbeidersklasse, want dat proletariaat ondervindt het scherpst de uitbuiting door het kapitaal, het creëert het belangrijkste deel van de meerwaarde voor de kapitalisten en werkt in de grootste en meest gecentraliseerde ondernemingen.
Maar de officiële burgerlijke statistieken, de statistieken van de reactionaire staten en internationale organismen die de burgerij hand- en spandiensten verlenen, de statistieken over het BBP en het bevolkingsaantal verdoezelen opzettelijk welke plaats de arbeidersklasse en in het bijzonder het industrieproletariaat in de maatschappij inneemt. Die statistieken hechten meer belang aan de dienstensector, de tertiaire sector.
De burgerij – waarbij reformistische ideologen en bepaalde kleinburgerlijke stromingen netjes aansluiten – willen ons er zo van overtuigen dat de mensheid het dienstentijdperk is binnengetreden, het tijdperk van de niet-materiële productie, waar niet langer de productie van materiële goederen in de economie en de maatschappij overweegt. Bijgevolg heeft de arbeidersklasse haar plaats als belangrijkste klasse in de maatschappij verloren, haar statuut van meest revolutionaire klasse, haar leidende rol in de revolutionaire beweging en haar opdracht om heel de maatschappij te bevrijden door zichzelf te bevrijden.
Logischerwijze volgt daaruit dat de arbeidersklasse
niet langer nood heeft aan een vakbond voor haar economische en politieke strijd,
laat staan aan een revolutionaire partij.
De vakbond en de partij zijn ‘te gecentraliseerd en te gedisciplineerd’.
De arbeidersklasse zou eerder nood hebben aan de zogenaamde flexibele en gedecentraliseerde
netwerken, waar elke vorm van discipline ontbreekt. Kortom, in het tertiaire
tijdperk behoren vakbond en partij naar de geschiedenis verwezen. Let alvast
op het reactionaire en bijzonder gevaarlijke karakter van dergelijke standpunten.
Enkele dagen geleden publiceerde de Centrale Bank van Tunesië de cijfers van ons BBP. Je krijgt de indruk dat de dienstensector in onze economie de belangrijkste is, want zijj vertegenwoordigde in 2007 meer dan twee vijfden van ons BBP, namelijk 43,7% (tegen 42,8% in 2006). De dienstensector gaat de landbouw (10,8%) en de industriële sector (met de verwerkende industrie, de mijnbouw en de energiesector) (22,85%) vooraf.
Deze cijfers verdoezelen dat een niet verwaarloosbaar deel van de in de dienstensector opgenomen activiteiten in feite tot de industriële sector behoren en dat die werkers integraal deel uitmaken van het industrieproletariaat. Dat is het geval voor de werkers van de transportsector, de onderaannemers of interimkantoren, waarvan de activiteiten vroeger onder de industriële ondernemingen geklasseerd werden. Dat is het geval voor de werkers van ondernemingen uit de informaticasector die verbonden zijn met de industrie, ondernemingen voor technisch onderhoud, bewakingsfirma’s, reclamebedrijven, personeelsmanagement, na-verkoopdiensten (call centers), enz.
Duizenden werkers uit de tertiaire sector werken in feite in en voor de industriële productie en zij moeten opgeteld worden bij die van de verwerkende industrie (die 19,6% uitmaken van de 2.255.700 Tunesische loontrekkenden – cijfer uit 2004), bij die uit de mijnbouw en de energie (1,2%) en die uit de Bouw en Openbare Werken (13,5%).
Maar, zult u opwerpen, zelfs als je al die werkers zou voegen bij die van de industrie en van de landbouw (16,3%), dan nog is de arbeidersklasse numeriek niet in de meerderheid in de Tunesische maatschappij. Hoe kan zij dan de leiding van de nationale en sociale bevrijdingsbeweging opeisen? Het antwoord van de communisten daarop is klaar en duidelijk.
Niet het aantal maakt van de arbeidersklasse de overheersende en meest revolutionaire klasse in de maatschappij. Lenin zegt daarover in zijn artikel De verkiezingen voor de grondwetgevende vergadering : ‘In eender welk kapitalistisch land overtreft de kracht van het proletariaat het percentage van zijn aantal op de totale bevolking. Dat komt omdat het proletariaat het centrum en het zenuwknooppunt van heel het kapitalistisch systeem economisch domineert, en ook omdat het proletariaat op economisch en politiek vlak de ware belangen vertaalt van de immense meerderheid van de werkers in het kapitalistisch regime. Daarom is het proletariaat, zelfs indien het maar een minderheid uitmaakt (of wanneer de bewuste en echt revolutionaire avant-garde van het proletariaat een minderheid uitmaakt) in staat de burgerij omver te werpen en onder de massa van halfproletariërs en kleinburgers talrijke bondgenoten te vinden. Die massa zal zich nooit bij voorbaat uitspreken voor de overheersende rol van het proletariaat of de voorwaarden en doelstellingen van die overheersende rol begrijpen. Alleen door haar eigen ervaring zal die massa tot de overtuiging komen dat de dictatuur van het proletariaat onvermijdelijk, rechtvaardig en noodzakelijk is.’ 1
Hoewel de Tunesische arbeidersklasse niet de numerieke meerderheid uitmaakt, toch heeft zij zowel in het verleden als vandaag aangetoond dat zij de strijdbaarste klasse is in het gevecht tegen de rechtstreekse lokale en buitenlandse uitbuiters en tegen de lokale onderdrukkers die door hun buitenlandse bondgenoten gesteund worden.
De dagelijkse strijd doet zich onder vele vormen voor: van korte werkonderbrekingen tot langdurige stakingen, van bedrijfsbezettingen tot betogingen en bijeenkomsten, van stakingen voor economische eisen tot stakingen met zuiver politiek karakter die de imperialistische en zionistische agressies ontmaskeren. Al die acties bewijzen het immense revolutionaire potentieel van de arbeidersklasse, dat in geen enkele andere onderdrukte sociale laag terug te vinden is.
En als de Tunesische arbeidersklasse de meest revolutionaire klasse is, dan komt dat omdat zij op drie manieren onderdrukt wordt:
De sociale onderdrukking is synoniem voor de uitbuiting door het lokale en buitenlandse kapitaal (Tunesië telt 2.800 ondernemingen met volledig of gedeeltelijk buitenlands kapitaal, goed voor 200.000 loontrekkenden).
De nationale onderdrukking is een gevolg van het halfkoloniale statuut van Tunesië.
De politieke onderdrukking vloeit voort uit de politieke verlamming, het gebrek aan respect voor de individuele en collectieve vrijheden (syndicale vrijheid, vrijheid van politieke organisatie, vrijheid van meningsuiting, vrijheid om vergaderingen of betogingen te organiseren, enz.).
De arbeidersklasse is de enige klasse die tot op heden niet het recht heeft een eigen wettelijke partij op te richten. De heersende macht heeft inderdaad andere partijen toegelaten, maar alleen partijen die de kleinburgerij of de liberale fractie van de compradoreburgerij vertegenwoordigen. Tot vandaag wordt onze partij nog niet erkend, want zij heeft de zaak van de arbeidersklasse en haar revolutionaire ideologie tot de hare gemaakt, onze partij wil de avant-garde van de arbeidersklasse worden.
Die weigering door het Tunesische regime, die de steun van het imperialisme heeft, het Amerikaanse imperialisme op kop, is niet alleen te verklaren door haar antidemocratisch karakter, maar vooral door haar uitgesproken wil om de arbeidersklasse haar strijdorgaan en haar politieke hoofdkwartier te ontzeggen, het onontbeerlijke wapen voor haar eigen bevrijding, voor de emancipatie van alle werkers en voor de nationale bevrijding.
Het Tunesische regime heeft ook ons blad Al Irada verboden, dat de belangen van de arbeidersklasse en heel het volk verdedigt.
In de bijzondere situatie van Tunesië bestaat de opdracht van de arbeidersklasse er niet in zichzelf van haar onderdrukkers en uitbuiters te bevrijden. Zij heeft de historische en strategische opdracht de strijd te leiden van de brede lagen van het volk, de strijd voor de sociale bevrijding en de nationale onafhankelijkheid.
Want inderdaad, de arbeidersklasse van Tunesië is niet de enige onderdrukte klasse. Ons halfkoloniale land, dat in hoofdzaak een landbouwland is, blijft verstoken van een ontwikkelde zware industrie. We hebben alleen een verwerkende industrie en wat mijnbouw. Honderdduizenden kleine handwerkers en landbouwers (kleine boeren, arme boeren, vissers) worden onderdrukt. Ze gaan gebukt onder woekerleningen van de banken en zware belastingen en vallen ten prooi aan grote producenten en agenten van de compradoreburgerij. Honderdduizenden mannen en vrouwen, jongeren en ouderen, zijn werkloos of hebben slechts een onzekere job met laag loon.
Bovendien zijn de toetreding van Tunesië tot de Wereldhandelsorganisatie (WHO) en het ‘partnerschap’ met de imperialistische Europese Unie uitgemond in de oprichting van een vrijhandelszone en in de opheffing van elke douanebescherming van de lokale industriële productie. Deze maatregelen hebben geleid tot de verdwijning van talrijke kleine, lokale kapitalistische bedrijfjes.
Alle sociale lagen die het slachtoffer zijn van het beleid van de compradoreburgerij en de grootgrondbezitters, de bondgenoten van het wereldimperialisme, hebben samen met de arbeidersklasse een gemeenschappelijk belang: een einde maken aan deze bloedige onderdrukking.
Maar van al die sociale krachten is de arbeidersklasse de meest revolutionaire klasse, de meest consequente in de strijd met die vijanden. Daarom neemt zij de beste positie in om de strijd van deze volkslagen voor de nationale en sociale bevijding en voor de politieke vrijheid te leiden.
Zij bezit haar wetenschappelijke, vooruitstrevende, revolutionaire ideologie en zal het daarom uiteindelijk moeten opnemen tegen de reactionaire ideologieën, het politieke obscurantisme en de reactie. Het islamisme bijvoorbeeld is een achterlijke, fundamenteel anticommunistische stroming, verbonden met de imperialistische intriges en meer bepaald met het plan voor het Grote Midden-Oosten van de regering Bush en de Amerikaanse neoconservatieven.
Dat zijn de vier historische opdrachten van onze arbeidersklasse.
Zij kan haar leidende rol niet vervullen, de genoemde opdrachten niet tot een goed einde brengen als zij niet beschikt over een klassenpartij met een revolutionaire ideologie. De geschiedenis van ons land bewijst dat dat een voorafgaande voorwaarde is om de overwinning te behalen in de eigen strijd en in die van de andere onderdrukte klassen en sociale lagen.
Om aan die historische vereiste tegemoet te komen hebben wij drie jaar geleden, op 29 april 2005, de Partij van de Arbeid van Tunesië (P.T.P.D.-P.D.P.A.T.) opgericht. Het is dus nog maar sinds kort dat onze arbeidersklasse beschikt over haar eigen autonome partij, ‘een klassenpartij die bewust haar klasse vertegenwoordigt’, zoals Marx en Engels in ‘De klassenpartij’ schreven. Maar op korte tijd hebben we de eerste beslissende stappen gezet.
Met het oog op de verdere opbouw en consolidering van onze partij nemen wij prioritair volgende taken ter hand:
De avant-gardekrachten van de arbeidersklasse nog meer integreren om het klassenkarakter van de partij te versterken en revolutionaire intellectuelen recruteren.
De kleinburgerlijke geest die de partij-gedachte en de partijeenheid schaadt uitschakelen.
De diverse kleinburgerlijke stromingen bekampen die zich achter revolutionaire fraseologie en bombastisch ultragauchistisch woordgebruik verbergen. Die stromingen remmen immers in werkelijkheid de autonome politieke actie van de arbeidersklasse af en leveren haar over aan de dominante invloed van de liberale vleugel van de compradoreburgerij, de islamisten en de gecorrumpeerde syndicale bureaucratie.
Strijd voeren tegen het apolitisme en de 'onpartijdigheid' van de vakbonden, die door de syndicale bureaucratie en opportunistische elementen van de kleinburgerij verdedigd wordt.
Onze partij hecht bijzondere aandacht aan de syndicale organisatie en strijd van alle loontrekkenden en in de eerste plaats aan die van de arbeidersklasse.
De vakbond is onontbeerlijk voor alle werkers. Ze heeft als doel de geïsoleerde werkers in het algemeen tegen de burgerij en het patronaat te verenigen.
De vakbond is onontbeerlijk voor de dagelijkse strijd van de arbeidersklasse en alle werkers tegen de werkgevers, die constant de rechten van de werkers met voeten treden (lonen, arbeidsduur, arbeidsvoorwaarden, sociale zekerheid enz.), voor de strijd tegen hun herhaalde pogingen om de verworvenheden van de werkers te ondermijnen, tegen hun aanslagen op de syndicale vrijheid en hun aantasting van de fysieke en morele integriteit van de werkers.
De feiten en statistieken tonen dat er daar waar er eerlijke en strijdbare syndicale vertegenwoordigers en organisaties zijn, waar er meer verzet is tegen de uitbuiting en de onderdrukking, waar er meer sociale bewegingen en sociale strijd op gang komen, er ook meer overwinningen behaald worden.
Onze militanten hebben sinds lang begrepen dat zij in de vakbonden en naast de werkers moeten staan, en dat zij hen moeten aansporen en aanmoedigen om lid van de vakbond te worden.
Onze kameraden moeten op alle niveaus waar het mogelijk en nuttig is deelnemen aan de syndicale verkiezingen, om onbaatzuchtig de belangen van de werkers te verdedigen en er de nodige opofferingen voor brengen. Zo'n houding verleent onze partij geloofwaardigheid en onze militanten een zekere uitstraling onder de arbeidersklasse.
Onze aanwezigheid in de vakbonden en onze deelname aan de syndicale strijd hebben het ons ook mogelijk gemaakt de meest vooruitstrevende elementen onder de arbeiders en intellectuelen te ontdekken en hen te organiseren. We konden er propaganda maken voor de partij, voor haar ideeën, haar standpunten en doelstellingen door middel van haar blad Al Irada en door verspreiding van haar pamfletten.
Tot slot willen we door onze aanwezigheid in de vakbond de actie en de syndicale strijd een politieke dimensie verlenen, want een apolitieke vakbond is niet meer dan een corporatistische vakbond, ten prooi aan de invloed van opportunistische en bureaucratische elementen.
Ook heeft de Tunesische syndicale beweging, met de actieve medewerking van onze kameraden in de syndicale centrale, vaak uitstekende politieke standpunten kunnen innemen en politieke eisen formuleren: ze heeft het antidemocratische klimaat kunnen aanklagen, de verkiezingen voor de Tweede Kamer kunnen het boycotten, het imperialisme, het Noord-Amerikaanse imperialisme en het zionisme kunnen ontmaskeren, enz.
Dat zijn de essentiële kenmerken van onze ervaring onder de arbeidersklasse
en in de vakbond.
Ik dank u voor uw aandacht.
Tunis, 10 mei 2008
Constituerend Comité van de Patriottische en Democratische Partij van de Arbeid van Tunesië
1 V.I.Lenin, Werken, Deel 30, p.281-282 (16/12/1919), Franse uitgave. Onze vertaling.