"De arbeidersklasse, haar actuele rol
en opdracht.
Concrete taken en ervaringen van de Communistische
Partij binnen de arbeiders- en vakbondsbeweging."
Brussel, 16-18 mei 2008
www.icsbrussels.org , ics@icsbrussels.org
Het werk van de communisten in de arbeiders- en vakbondsbeweging
Unión Proletaria (Proletarische Unie), Spanje
Wegens haar productieve rol en haar uitbuitingstoestand, is de arbeidersklasse de meest revolutionaire sociale klasse, die er het meeste belang bij heeft om kapitalistische regimes af te schaffen, door middel van de Socialistische Revolutie die de weg effent naar een klasseloze maatschappij: het Communisme.
Proletariërs zijn al diegenen die uitsluitend leven van de periodieke verkoop van hun arbeidskracht aan de kapitalisten in ruil voor een salaris. Hun weerstand tegen de kapitalisten als klasse werd theoretisch aangetoond in "Het Kapitaal" van K. Marx en praktisch door twee eeuwen klassenstrijd en revoluties. Maar de eenheid van de arbeiders als klasse sluit het bestaan van tegenstellingen onder hun rangen niet uit. Deze tegenstellingen worden misbruikt door burgerlijke opportunisten en de kleine burgerij om te beletten dat de arbeiders hun universeel-historische opdracht uitvoeren en om hen als kanonnenvlees te gebruiken in de oorlogen tussen de bezittende klassen.
Nationaliteit is één van de verdelingsfactoren die de acties van de klasse benadelen binnen de multinationale Staten, zoals Spanje, en tussen de proletariërs van de rijke landen en de landen die door deze laatste uitgebuit worden, vooral wanneer zij zich op dezelfde arbeidsmarkt bevinden als gevolg van immigratie.
Zo werken momenteel vele proletariërs, gewoonlijk de minst begunstigden betreffende arbeids-, economische en sociale rechten, in de dienstensector (hotelwezen, handel, enz.), hoewel het dikwijls gebeurt, dat zij in hulpdiensten van de industrie werken en dat zij tot de industrie behoorden voordat zij onafhankelijke ondernemingen werden. Deze werknemers produceren geen tastbare goederen waarop een zekere waarde steunt, en zij brengen dus geen meerwaarde voort. Maar, zoals Marx uitlegt in het Derde Boek van Het Kapitaal, helpen zij de burgerij om deze waarde en deze meerwaarde te realiseren aan voorwaarden die voor deze burgerij rendabel zijn, met andere woorden door niet te bezoldigen arbeid te verrichten, zoals de industriële arbeiders. Hoewel hun werk geen materiële goederen oplevert, is het even productief als dat van hen die wel produceren, in die zin, dat zij bijdragen tot de reproductie van de kapitalistische sociale relaties en meer bepaald tot de rendabiliteit van het niet industrieel kapitaal.
In tegenstelling tot de mening van de opportunisten, zowel van rechts als van "links", toont de analyse van de tegenstellingen onder de proletariërs aan, dat de arbeidersklasse niet verdwijnt, maar wel dat, in vele gevallen, hun werk en de arbeidsvoorwaarden veranderen binnen een kapitalistisch regime dat hen op een steeds brutalere manier uitbuit om te beantwoorden aan de tendens van de dalende winstmarges.
De objectieve situatie van de arbeidersbeweging
Ook bij deze imperialistische fase van het kapitalisme heeft de arbeidersklasse steeds een objectieve interesse betoond voor de eliminering van het kapitalistisch systeem.
Toch is dit niet erg zichtbaar. Het grootste deel van de bevolking dat deel uitmaakt van de proletarische klasse toont zich tamelijk onderworpen aan de burgerlijke ideologie en met weinig revolutionaire geest. In deze jaren van neoliberaal tegenoffensief van het kapitaal tegen de historische verworvenheden van de arbeiders, is haar economische weerstand eerder gebrekkig en dus onvoldoende om de verslechtering van hun levensomstandigheden te voorkomen.
Het is zeker dat hun leiders, en via hen, hun organisaties – in Spanje vooral de PCE en de CC.OO. – vanaf de jaren ’70 opteerden voor samenwerking met de burgerij. Voordat de momentele nederlaag van het communisme de arbeidersbeweging trof door de nederlaag van het zogenaamde "echte socialisme" en de verzwakking van de rest, - in ons land de syndicale koepelorganisaties UGT en CC.OO. -, waren zij reeds ondergedompeld in een syndicale samenwerkingspolitiek tussen de klassen die zich duidelijk begon te manifesteren bij de politieke overgang van 1978. Dit feit veronderstelde een verraad van de veranderingsverwachtingen van vooral het proletariaat, alsook van sommige kleinburgerlijke sectoren (nationalisten, republikeinen, enz.). De situatie van de arbeidersbeweging verslechterde drastisch na de ondertekening van de Verdragen van de Moncloa en later van de sociale verdragen, hetgeen vanaf dat moment een groeiend verlies van rechten betekende en later een daling van de reële salarissen. De demobilisatiepolitiek van de PCE was hiervan de beslissende en ernstigste oorzaak. De PCE werd steeds rechtser en degenereerde op politiek vlak, door de formele verzaking aan het marxisme-leninisme, goedgekeurd in haar IXde Congres. Dit betekende dat zij afstand deed van de proletarische revolutie, maar ook van de republikeinse erfenis van de partij. De eurocommunistische leiding veranderde een stuwende en strijdende arbeidersklasse in een apathische en gedemoraliseerde massa. De ontaarding van de PCE was een deel van het proces om het marxisme-leninisme te vervangen door het modern revisionisme dat de Internationale Communistische Beweging onderging sinds het XXste Congres van PCUS.
Maar, het opportunisme en het revisionisme beschouwen als de ultieme oorzaak van het sociaal verval dat wij de laatste tientallen jaren meemaken, zou idealisme zijn. Men moet op de eerste plaats erkennen dat de arbeidersmassa’s, samen met de communisten niet op een efficiënte manier reageren tegen dit verraad en ten tweede heeft deze terugval van de arbeidersbeweging zijn oorsprong in belangrijke socio-economische veranderingen, die zich gedurende de laatste vijftig jaar voordeden op internationaal vlak: de migratie van het platteland naar de stad in de jaren 50-60, die nu op geglobaliseerde manier voortgezet wordt door migraties vanuit de verdrukte landen naar de imperialistische metropolissen; de omvorming van de productieve krachten, gekend als "wetenschappelijk-technisch"; de ontwikkeling van de communicatiemiddelen op massaschaal, vanaf de auto tot de commerciële luchtvaart, van de TV tot Internet, enz.; de verandering van het model van de kapitaalsaccumulatie, verplicht door de Petroleumcrisis en mogelijk gemaakt door de crisis van de arbeidersbeweging, vanaf de "Welvaartsstaat" naar het neoliberalisme met zijn privatiseringen, verplaatsingen, afscheidingen, de onbestendigheid en flexibiliteit van het werk, de "vrije" beweging van kapitalen voor de westerse grootmachten, enz.
Op lange termijn zijn deze veranderingen gunstig voor de revolutie, gesteld dat zij een numerieke verhoging van proletarische rangen betekenen en een correlatieve vermindering van de landbouwsector en de kleine burgerij. Zij betekenen eveneens een nog grotere socialisering van de productieve krachten, met een algemene verhoging van het cultureel niveau van de arbeiders, wat de mogelijkheid van de klasse vergroot om de leiding van de maatschappij op zich te nemen.
Deze veranderingen, hoewel van voorbijgaande aard, laten toch eerst hun negatieve gevolgen voelen. De "nieuwe rekruten" brengen kleinburgerlijke vooroordelen mee en verlagen het gemiddelde bewustzijn van de arbeidersklasse, wat de schade verergert, veroorzaakt door het neerslaan van de bloedige strijd van miljoenen van onze beste communisten door het fascisme, de Tweede Wereldoorlog en de antikoloniale strijd. Een belangrijk deel van deze nieuwe rekruten gaat over van de leiding van de arbeidersbeweging naar de traditionele industriële kern van het proletariaat. De reden hiervoor is hun hogere technische cultuur, met als resultaat dat het klassenbewustzijn, dat gedurende tientallen jaren van harde strijd gesmeed werd, plaats moet maken voor individualistische en intellectualistische ideeën, ingeprent door het burgerlijk opvoedingssysteem. De structurele economische crisis van de jaren ’70, de sluitingen van de traditionele industriële ondernemingen, de massale ontslagen en tenslotte het neoliberaal offensief zijn erin geslaagd om in het bewustzijn van brede massa’s arbeiders de collectieve hoop op het socialisme te vervangen door het "Redde wie zich redden kan" principe van de kapitalistische jungle.
De subjectieve factor van de arbeidersbeweging
Hierin zit de ultieme oorzaak van de kracht van het opportunisme en het revisionisme binnen de internationale arbeidersbeweging, alsook de tijdelijke triomf van de contrarevolutie in de vroegere socialistische landen. Het is duidelijk dat de objectieve wetten van het burgerlijk economisch regime van kracht blijven en de oorzaak zijn van de polarisatie tussen twee tegengestelde klassen in de maatschappij, die steeds meer de uiterlijke schijn van de belangen (welvaartsstaat) verliezen die de reformistische illusies binnen de arbeidersbeweging voeden. Eens tot deze situatie gekomen, hangt de verandering van tendens ten voordele van een reactivering van de revolutionaire zaak af van de ontwikkeling van de klassenstrijd van het proletariaat op drie fronten – economisch, politiek en theoretisch. Bovendien weten wij dat de vermelde sociale veranderingen ons noodzakelijkerwijze op een bepaald moment ten goede zullen komen. Marxisten wachten niet tot dit gebeurt: dit zou het dialectisch materialisme verlagen tot een vulgair burgerlijk materialisme, zoals de sociaaldemocratie. Marxisten moeten de klassenstrijd stimuleren. Indien het opportunisme veroorzaakt werd door objectieve omstandigheden, in die mate dat de effecten ervan naar revolutie kunnen leiden, dan is het onze plicht om op de eerste plaats het opportunisme te bestrijden als een hindernis die zich opwerpt tegen de revolutionaire tendens.
Lenin leerde ons dat in de periode van het imperialisme, de hierdoor corrupt geworden arbeidersaristocratie een stabiele en machtige burgerlijke partij vormt binnen de arbeidersbeweging. Het is dus noodzakelijk een politieke partij te vormen met de arbeiders van de voorhoede, met de revolutionaire arbeiders, om de burgerlijke arbeiderspartij te vernietigen en onze klassenbeweging te ontwikkelen om ons socialistisch objectief te realiseren.
Welke is de objectieve kracht van de hardnekkige kern van de arbeidersaristocratie? Welke is de objectieve kracht van de burgerlijke en kleinburgerlijke vooroordelen van de arbeidersmassa’s? Momenteel lijkt die kracht enorm, maar we moeten rekening houden met het feit dat het proletariaat al tientallen jaren de noodlottige, overrompelende boodschap van het revisionisme en het opportunisme voorgeschoteld krijgt, vertegenwoordigd door de sociaaldemocratie en het moderne revisionisme (in ons land reeds lang voor de overgang van 1978 door de PCE). Daarom, door enkel een theoretische, politieke, syndicale en organisatorische strijd te ontwikkelen tegen de burgerlijke tussenkomst in de arbeidersbeweging, kunnen wij deze herleiden tot haar objectief noodzakelijke uitdrukking en overgaan tot de strijd voor de overname van de Politieke Macht. Daarom is onze eerste taak de Communistische Partij heropbouwen, via de eenheid en de strijd van de diverse communistische detachementen en samen met de massa’s in het voordeel van dit prioritair objectief. Enkel vanuit haar voortzetting kunnen wij het geheel van de arbeidersklasse voorzien van voldoende bewustzijn en organisatievermogen om vooruit te gaan op de weg naar de revolutie.
Directe taken
Wij moeten de communisten organiseren in cellen binnen de ondernemingen of arbeidscentra, vooral in de grootste. Als die nog niet bestaan, zullen wij het moeten doen met polygone cellen, of in het uiterste geval, met cellen die per territorium belangrijke industrieën groeperen. Wanneer de heropbouw van de Communistische Partij nog niet voltooid is, dan is het aangeraden om tegelijkertijd coördinatiecomités van de basisorganisaties of van individuele militanten van de verschillende communistische detachementen op te richten.
Deze organisaties moeten op de eerste plaats de opvoeding van de communisten en de arbeidersmassa’s promoten, door middel van de studie en de propaganda van het Marxisme-Leninisme, gesteund op de werken van zijn stichters. Het is nodig om een echte culturele revolutie binnen de arbeidersbeweging door te voeren en vooral bij de meest bewuste leden. Deze moet de strijd aanbinden met de ideologische modestromingen, die zonder uitzondering tegengesteld zijn aan de proletarische revolutie. Men moet de beperkte politieke horizon van de arbeidersbeweging overschrijden en hun ambitie verhogen. Het is nodig om de eenheid van actie en discussie tussen communistische organisaties te organiseren, ook in het vooruitzicht van het propagandistisch tegenoffensief van het wetenschappelijk socialisme, alsook van de verdediging van de historische ervaring van de proletarische revolutie tot op heden.
Op de tweede plaats moet men de arbeidersmassa’s politiseren en hen niet beperken tot de syndicale routine. Ongetwijfeld voelen zij zich daar beter thuis, maar de fundamentele belangen van de arbeidersklasse kunnen niet verwezenlijkt worden via de economische strijd, maar enkel door het installeren van de dictatuur van het proletariaat via de politiek revolutionaire strijd. Hiervoor moet onze klasse haar vrienden en vijanden kennen. Zij moet zich omvormen tot de leidende voorhoede van alle verdrukten om voldoende kracht te verzamelen om de macht van de burgerij en de reactie te verpletteren. En we kunnen dit enkel bereiken als de communisten zich haasten om de problemen van de meest diverse lagen van de bevolking uit te leggen en hen te betrekken bij de strijd om ze op te lossen. De eisen die momenteel de jeugd en de revolutionaire intelligentie mobiliseert ten voordele van de anti-imperialistische solidariteit, van de republiek, van het recht op zelfbeschikking van de naties, van het laïcisme, van de gelijkheid van de vrouw, van de bescherming van de natuur, enz., moeten voor de communisten bij voorkeur bestemd worden voor de concentraties van industriële werknemers.
Ten derde moet er aandacht zijn voor de problemen die de arbeidersbeweging al kent, vooral de economische, de syndicale problemen. De communisten moeten grondig de legitieme verwachtingen, eisen en ook de strijd van de arbeidersklasse in de fabrieken en andere werkplaatsen kennen, alsook hun culturele en residentiële omgeving (in bijlage: de syndicale eisen die Unión Proletaria voorstelt voor het Strijdprogramma van de arbeidersklasse, en het geheel van ons programmavoorstel, ter beschikking van de kameraden van de Internationale Communistische Beweging). Uitgaande van deze basis, kunnen wij onze bijdrage binnen de arbeiders- en syndicale beweging ontwikkelen, een uiterst onontbeerlijke taak, daar de syndicaten gecontroleerd worden door bureaucratische directies die de klassenstrijd hebben opgegeven door te kiezen voor een anti-arbeiderspolitiek van verzwakking en medewerking met het patronaat en de bourgeoisstaat die hun hierbij steunt.
Communisten moeten vooral het bewustzijnsniveau en het organisatievermogen van het proletariaat realiseren, uitgaande van de problemen van de arbeiders van de grote fabrieken tot de dienstensector. Wij zullen lessen trekken uit de strijd door eraan deel te nemen, ondanks het feit dat veel spontaan uitgebroken strijd een economistisch accent vertoont. Het blijft in elk geval juist en nodig dat de arbeiders strijden voor betere arbeids-, economische en sociale voorwaarden; en vooral ook tegen de loonsonbestendigheid, het tijdelijk werk, de verplaatsingen van de bedrijven en de arbeidsongevallen, die vooral een negatief effect hebben op de meest weerloze werknemers, vooral op de jongeren, de vrouwen en de migranten. Het is de taak van de communisten om een uitweg te zoeken voor deze strijd, door hen hun noden uit te leggen en er een politiek revolutionaire inhoud aan te geven.
Wij moeten onder de werknemers de noodzaak om het sociaal-politiek, participatief, democratisch klassensyndicalisme verdedigen, een syndicalisme dat de ontvoogding van de arbeidersklasse als horizon heeft en dat zich baseert op de klassenstrijd: dat de onderhandeling niet nalaat, maar dat zich vooral oriënteert op de mobilisatie en de strijd van de arbeidersmassa’s. Dit syndicalisme moet vooral met klem en verantwoordelijkheid het legitieme recht op staking uitoefenen, zonder opgedrongen voorwaarden. Dit is het enige middel om het kapitalisme te dwingen om de specifieke en algemene omstandigheden van het geheel van de arbeidersklasse te verbeteren.
Hiervoor moeten wij op elk moment beschikken over een zo breed mogelijke deelname van de werknemers in de strijd om het klassensyndicalisme te recupereren, om op het niveau van de onderneming het reformistisch, anti-arbeiders syndicalisme te verslaan, dat door de koepelorganisaties opgedrongen wordt: in Spanje door de UGT en de CC.OO., in Europa door de CES en door de CSI op wereldvlak. De noodzaak om een ommezwaai naar links te verwezenlijken binnen de arbeidersbeweging moet werkelijk een luide volkskreet worden om alle verraders van de arbeidersklasse te bannen uit de leiding van de arbeidersbeweging.
De controverse ten overstaan van de syndicale tactiek
De gijzeling van de syndicale organisaties, door agenten van de burgerij, treft niet enkel de massa’s van de klasse, maar heeft ook een negatief effect op de voorhoedesectoren die zich marxist-leninist noemen en die debatteren over enerzijds het voortgaan in Arbeiderscommissies, steunend op hun "Kritische sector" – die een zwaai naar links van dit syndicaat voorstaat om het klassensyndicalisme en de deelname van het proletariaat te recupereren – of anderzijds wedden op kleinere syndicale organisaties die veel minder arbeiders, arbeiderscentra en territoria bereiken en wier actieradius zich in sommige gevallen beperkt tot één enkele onderneming, maar die wel uitgaan van een meer strijdvaardige en democratische politiek en praktijk.
Hoewel deze laatste optie zich baseert op een gerechtvaardigde kritiek ten aanzien van de UGT en de CC.OO., toont de realiteit ons dat de schaarse tussenkomst van de massa’s en de onderlinge eenheid van deze syndicaten hun efficiënte werking sterk beperkt, althans op dit ogenblik. Als voorbeeld stellen wij de alternatieve oproepen voor de 1ste mei in Madrid, die minder dan 1000 personen telden, ondanks het feit dat zij konden rekenen op de steun en de deelname van twee politieke organisaties, twee vakbondscentrales – CGT en Solidaridad Obrera (arbeiderssolidariteit) – en de Coordinadora Sindical de Madrid, op haar beurt samengesteld is uit meer dan acht syndicale organisaties: Telefónica, Casa de la Moneda, Iberia, EMT, Roca, Hotel Meliá, SEAT, Autobuses Blas, enz.
Bovendien is het gevaar voor corporatieve afwijking groot en evident, als syndicaten beperkt zijn tot hun eigen bedrijf.
Tenslotte creëert deze inter-syndicale competitie verdeeldheid en confrontaties zelfs binnen de voorhoedesectoren van het proletariaat, zoals de gebeurtenissen bij SEAT aantonen.
Volgens ons, betekent het vrijwillige en veralgemeende verlaten van de CC.OO. door de communisten, zonder dat er een erkend alternatief bestaat dat kan rekenen op de steun van een voldoende talrijke sector van de arbeidersklasse en zonder alle mogelijkheden te hebben aangewend om de CC.OO. te recupereren, een actielijn die overeenkomt met hun principiële principes als sociaal-politiek klassensyndicaat. Maar het is nochtans een fout, die een nog diepere syndicale verdeeldheid dan de reeds bestaande zal teweegbrengen en die de recuperatie van de arbeidersbeweging nog meer zal bemoeilijken of beletten, waardoor deze in een nog zwakkere positie zal belanden. Naar het oordeel van Unión Proletaria, zou zulke weddenschap aantonen dat men de betekenis en de rol van de Communistische Partij niet verstaat en dus ook niet de absolute prioriteit van de strijd om het contact met de breedste lagen van de klasse te herwinnen en hierdoor in te gaan tegen haar illusies over een veronderstelde "syndicale oplossing" voor de verslechtering van hun levensomstandigheden. Buiten de goedgemeende bedoelingen, werkt het gebrek aan syndicale eenheid, nog verergerd door de oriëntatie van de communisten naar een minoritair alternatief – nieuw of reeds bestaand – onvrijwillig een groter onbegrip en demobilisatie van de werknemers in de hand. Dit is enkel voordelig voor de politiek die tegen onze klassenbelangen ingaat en die op onze rug de bureaucratische koepelorganisaties aanport en onderwerpt in dienst van het patronaat en de kapitalistische regering die aan de macht is.
Zonder voorafgaandelijk eenheidswerk, dat kan rekenen op steun en participatie van zoveel mogelijk werknemers, nemen wij de reële mogelijkheden van de strijd voor het klassensyndicalisme weg.
Wij zijn ons bewust van de volgende feiten:
1) de realiteit van de syndicale verdeeldheid van de werknemers, vooral door het vrijwillig verlaten van de CC.OO. van enkele van de meest bewuste en strijdvaardige afdelingen;
2) de enorme reële moeilijkheid om voor het strijdsyndicalisme te werken binnen de CC.OO. in fabrieken, productieve sectoren, gemeentelijke en provinciale eenheden, enz.;
3) de ideologische en politieke beperkingen van de huidige leiders van de kritische sector van dit syndicaat, die politiek dicht bij het PCE-revisionisme staan en die een zekere verantwoordelijkheid hadden in de dynamiek van sociale pacten en bureaucratische centralisatie van de werking van CC.OO. in de jaren ’80, zonder hierover een diepe zelfkritiek te maken.
Daarom moeten de militanten van de verschillende communistische organisaties die over meer kennis van zaken beschikken om de reële mogelijkheden in te schatten, bij elke concrete situatie en in functie van een betere dienstverlening aan de arbeidersklasse, de beste opties bepalen voor hun werking binnen de arbeidersbeweging.
Unión Proletaria heeft actief deelgenomen in de strijd die de ambtenaren van de Administratie van Justitie geleverd hebben gedurende de laatste maanden. Deze strijd werd aangedreven door de sectorale organisatie van de CC.OO., geleid door de Kritische Sector. De staking van de regionale Administratie van Madrid duurde twee weken en eindigde met een volledige overwinning van de werknemers die de totaliteit van hun salariële eisen bekregen én de erkenning van de rest van hun eisen, die nog concreet gemaakt moeten worden bij de volgende onderhandeling. De rechterlijke ambtenaren die van de centrale regering afhangen begonnen daarna een staking om de gelijkschakeling van hun salaris te bekomen met dat van hun collega’s die overgeplaatst waren naar de autonome gemeenschappen. Deze staking duurde meer dan twee maanden, tot zij het merendeel van hun eisen verkregen. Zij hebben een strijdvaardigheid aan de dag gelegd die de verschillende Administraties verbaasd heeft, alsook het geheel van de syndicale beweging en de ganse bevolking. Toch heeft de regering, in samenzwering met de leiding van de federaties van de openbare diensten van de UGT en de CC.OO., een manoeuvre uitgevoerd, dat erin bestond om toe te geven aan de eisen van de werknemers. Maar in ruil daarvoor werd een syndicale beweging die dreigde uit te uitbreiden naar andere ambtenaren en werknemers, lam gelegd: door het ondertekenen van een akkoord om de staking terug te roepen zonder een referendum onder de bedienden, schond zij de overeenkomst van de syndicale afgevaardigden met diegenen die zij vertegenwoordigden. Op die manier veroorzaakte de staat een moedeloosheid die de uitbreiding van de staking bemoeilijkte en gaf zij tevens een nieuwe reden om het wantrouwen van de werknemers in de klassensyndicaten (de corporatieven namen geen deel aan het manoeuvre) aan te wakkeren. Dit akkoord was eveneens een slag voor de strijdbare Sector van Justitie van de CC.OO.. Van haar kant verzwakte de directie van de federatie van dit syndicaat haar Justitiesector, vooral de Kritische, in het nadeel van het volgende Congres dat volgend jaar zal plaatsvinden. Op dit ogenblik leveren de afgevaardigden van de CC.OO. die de beweging leidden een interne en openbare strijd tegen de verraders, en naargelang het resultaat van deze strijd, zullen zij beslissen of zij al dan niet aan het hoofd blijven van het syndicaat van Justitie. Wij bemerken hier sporen van naïviteit en "linksheid" die wij trachten te bestrijden, opdat zij niet in de val van de interne vijand zouden vallen en de noodzaak van een "verlengde oorlog" tegen de burgerij en haar opportunistische achterban zouden begrijpen. Ondanks de moeilijkheden moeten de overeenkomsten met de werknemers behouden blijven.
Tenslotte, in de syndicaten, vooral in de grote, waar onze politiek een minderheid vormt, moeten de communisten zich tot doel stellen om met de meest bewuste arbeiders Rode Fracties te organiseren, om met veel geduld en doorzettingsvermogen het klassensyndicalisme en de strijd voor de revolutionaire doelstellingen van de arbeidersklasse door te duwen.
Om in die richting vooruit te komen, moeten wij steeds trachten om zoveel mogelijk eenheid onder de klassensyndicalisten te realiseren, zowel op lokaal, als op provinciaal, autonoom, of staatsniveau: syndicale eenheid en eenheid onder de werknemers zelf. Wij moeten ons aan het hoofd zetten van elke vorm van strijd, ons opstellen tegenover de posities die de klassenverzoening verdedigen, en zulke stellingnamen lamleggen. Vanuit de fabrieken en de syndicale organisaties, moeten de Rode Fracties de oprichting van een SYNDICAAL KLASSENFRONT aandrijven, dat door actie, de kritische sector van de CC.OO., de UGT, Co.bas, de Syndicale Overkoepelingen, enz. aandrijft en waarin een zo groot mogelijk aantal werknemers participeren. Deze vooruitgang ten overstaan van het vernietigende sektarisme dat ons heden bedreigt, zal een ontwikkeling van het bewustzijns-, organisatie-, en strijdvaardigheidniveau van het proletariaat teweegbrengen. Zo zal de efficiënte verdediging van hun klassenbelangen en de intelligente confrontatie met het patronaat en de bourgeoisstaat mogelijk worden.
Het streven naar een SYNDICAAL KLASSENFRONT zal ons toelaten om de opportunistische bureaucratie van de CC.OO. en andere syndicaten te verslaan, door ze intern en extern te bestrijden (alternatieve syndicale organisaties en politieke organisaties van het proletariaat.). Als de vooruitgang binnen en buiten de Arbeiderscommissies beter blijkt, dan zal het zijn omdat SYNDICAAL KLASSENFRONT zulke brede eenheid onder de verschillende organisaties, syndicale detachementen en arbeidersmassa’s gesmeed heeft dat we, hoewel nog steeds tegen onze wens, een nieuwe Syndicale Confederatie zullen kunnen stichten, die een echte klassenpolitiek toepast en tegelijkertijd een beslissend deel van de proletarische massa’s groepeert.
De arbeidersbeweging, uitstijgend boven het syndicalisme
We hebben reeds de noodzaak onderstreept, om de arbeidersbeweging politiek bewust te maken. Maar zelfs vanuit het standpunt van het economisch verzet, moeten wij niet enkel het milieu van de sociale productie bijstaan, maar ook dat van de reproductie van arbeidskracht. Zo moeten wij de syndicale strijd van de arbeidersbeweging verbinden met de sociale strijd tegen het kapitalisme die zich buiten de fabrieken ontwikkelt. Deze strijd heeft wel een kleine revindicatieve inhoud met voordelen, zowel economische als sociale, indirect of op termijn, maar niet direct verbonden met de lonen, hoewel deze voordelen op een wezenlijke manier gevolgen hebben voor de situatie van het proletariaat en andere lagen van de bevolking. Het gaat hier om de strijd in de wijken, de studiecentra, en vooral in de fabrieken, bedrijven en diensten waar het proletariaat aanwezig is. Deze strijd en zijn mobilisaties wordt geleverd rond verschillende soorten eisen: voor sociale woningen, tegen de levensduurte, voor de bescherming van het milieu, voor opvoeding en openbare gezondheid, enz.
Bereiken dat de meest bewuste en strijdvaardige proletariërs terug deelnemen aan de sociale en politieke strijd, vanuit de fabrieken zoals in de jaren ’70, is de beste leerschool voor de bewustwording van het proletariaat van zijn eigen macht en opdat het proletariaat begrijpt dat de spontane economische strijd zijn toekomst als uitgebuite klasse niet kan oplossen.
Het proletarisch internationalisme organiseren
Op internationaal vlak zien wij het als onze plicht:
1º) te strijden voor de grootst mogelijke coördinatie tussen de communistische organisaties en hun internationale groeperingen met als doel de Communistische Internationale terug op te richten.
2º) te strijden voor de versterking van de Syndicale Wereldfederatie die, volgens ons, de enige syndicale organisatie is die klassenwaarden verdedigt en die zich op de één of de andere manier verzet tegen de globalisatie van het imperialisme. De SWF kan een belangrijke rol spelen tegen de kapitalistische globalisatie, tegen het imperialisme en zijn roofoorlogen, in het voordeel van de ontwapening, de vrede, tegen de actuele manipulatie binnen de Verenigde Naties door het imperialisme, vooral door het meest agressieve: het Noordamerikaans imperialisme.
Een andere wereld is mogelijk: zonder uitbuiters, zonder uitgebuite mensen, zonder tegenover elkaar staande klassen, zonder kapitalisme, als we eerst de Communistische Partij herstellen en de revolutie organiseren die de bourgeoisstaat vernietigt en we deze laatste vervangen door de dictatuur van het proletariaat om een klasseloze maatschappij te bereiken: de communistische maatschappij.
¡Leve het Marxisme-Leninisme!
¡Leve het Proletarisch Internationalisme!
¡Leve de syndicale arbeidersstrijd!
¡¡Voor de Communistische Partij!!
Madrid, april 2008

www.unionproletaria.net
up@unionproletaria.net
Apdo. Correos 51498 - 28080 Madrid
Bijlage (Uittreksel uit het Voorstel van de Unión Proletaria voor het Programma van de Arbeidersklasse in Spanje)
FRONT VOOR SYNDICALE STRIJD
(…)
1º.- Over de arbeidersorganisaties.-
In Spanje bestaat er een groot gebrek aan democratie voor de meerderheid in de maatschappij. Deze overgrote meerderheid zijn loonarbeiders die momenteel niet beschikken over bestuurs-, controle- en inspectieorganismen en arbeids- en economische maatregelen, die hen direct aangaan. Anderzijds trachten de bedrijven en de kapitalistische Staat de syndicaten om te kopen, via verschillende vormen van financiering, om de werknemers te demobiliseren. In dit geval doen sommige syndicale leiders zich eerder voor als administratie of bedrijf in plaats van als afgevaardigde van de werknemers. Daarom stellen wij voor:
1.1.- De oprichting van een Centrale Arbeidersraad, zowel in de gemeenschappen als in de gemeenten, die democratisch verkozen wordt door de loonarbeiders, en die voorstellen voor arbeidswetten uitwerkt en controle en inspectie uitoefent.
1.2.- Een vertegenwoordiging van minstens 51% van de afgevaardigden van de werknemers in de Beheersraden van de genationaliseerde bedrijven, onder toezicht van de bedrijfscomités en de algemene vergaderingen van de werknemers, die gemachtigd zijn hun afgevaardigden terug te roepen.
1.3.- Verbod op financiering van en toekennen van toelagen aan de syndicale centrale door openbare organismen en bedrijven.
2º.- Over de rechten.-
Het merendeel van de beperkingen van de democratische rechten gedurende de laatste jaren, was bedoeld om de eisen van de arbeidersbeweging te stoppen of te beperken. Het is een democratische noodzaak om de verloren rechten te recupereren of de beperkingen ongedaan te maken. Daarom stellen wij deze maatregelen voor:
2.1.- Erkenning van het stakingsrecht zonder beperkingen (de minimale echt noodzakelijke voorwaarden voor de afgevaardigden van de werknemers moeten vastgelegd worden), alsook het recht op betogen, vrij vergaderen en zich politiek uiten in de bedrijven.
2.2.- Erkenning van het recht op collectieve onderhandeling voor alle loonarbeiders. De sectorale Staatsovereenkomsten moeten prioritair zijn. Zij remmen de individualisering van de contracten, zij scheppen eenheid en verminderen de versplintering.
2.3.- Tendens tot eenmaking van de huidige sectorale en territoriale overeenkomsten tot één enkele staatsovereenkomst met waarborgen voor controle en participatie door de werknemers.
2.4.- Erkenning van het recht op vrije syndicale actie zonder beperkingen in alle bedrijven.
3º.- Over het nieuwe arbeidersstatuut
Het Statuut van de Arbeiders veronderstelde een verzaking aan de verbetering van de arbeidsomstandigheden van de werknemers. Het statuut zelf opende de weg naar opeenvolgende hervormingen en tegenhervormingen die het verlies van de economische, sociale en arbeidsrechten vergrootte. In de huidige omstandigheden is het nodig het oude statuut en zijn talrijke hervormingen af te schaffen en een nieuw Arbeidersstatuut te creëren, dat de levens- en de arbeidsomstandigheden van alle werknemers verbetert. Met exclusieve betrekking tot de arbeidsmarkt, moet het, als minimaal voorstel, het volgende inhouden:
3.1.- Vermindering van de arbeidsuren tot een maximum van 35 uren per week, zonder loonverlies. Controle door de afgevaardigden van de werknemers op de speciale arbeidstaken (ongezond werk, leercontracten, enz.)
3.2.- Verbod van overuren.
3.3.- Niet overeengekomen verbod met de getroffenen door geografische en functionele mobiliteit.
3.4.- Verbod van individuele contracten buiten de collectieve arbeidsovereenkomsten.
3.5.- Gratis openbaar vervoer tussen de verblijfplaats en de werkplaats, voorzien door de onderneming.
3.6.- 35 verlofdagen per jaar.
3.7.- Gelijk loon voor mannen en vrouwen, alsook voor autochtone en allochtone werknemers.
3.8.- Schadevergoeding bij ontslag van minimaal 45 dagen per 42 gewerkte maanden.
3.9.- Pensioen op 60 jaar met 100% van het loon en vrijwillig gedeeltelijk pensioen vanaf 55 jaar.
3.10.- Lijnrechte salarisverhoging om de koopkracht veroverd door de stakingsbeweging van de jaren 1970-1980 te recupereren. Een clausule voor loonsherziening voor alle werknemers volgens een Index van de Consumptieprijzen gebaseerd op het hoogste kooprantsoen van de loonarbeiders van de sector.
3.11.- Optrekken van het Inter-professioneel Minimumloon tot een bedrag dat toelaat om de basisbehoeften van de werknemer te dekken. Beneden dit bedrag mag geen enkel contract of uitkering afgesloten worden.
3.12.- Uitkeringen die vergelijkbaar zijn met het reële loon van de actieve werknemers.
3.13.- Verbod op de Bedrijven voor Tijdelijke Arbeid (Interim-kantoren?).
3.14.- Afschaffing van de contracten en ondercontracten binnen de gewone activiteit van de onderneming, en intussen op de werknemers de overeenkomst van de hoofdonderneming toepassen, onafhankelijk van de sector waartoe zij behoren.
3.15.- Beperking van de formaliteiten van de arbeidscontracten.
3.16.- Financiering van de sociale zekerheid enkel door middel van bedrijfsbijdragen, berekend volgens de behoeften van het bedrijf.
3.17.- Recuperatie van de Openbare Tewerkstellingsdienst.
3.18.- Werkloosheidsverzekering voor alle werklozen totdat de Staat hen een werkpost verschaft in overeenstemming met hun beroep, onder het toezicht van de Arbeidersraden.
3.19.- Planning, bescherming, toezicht en controle van de gezondheidsvoorwaarden op het werk.
3.20.- Professionele vorming ten laste van de ondernemingen en geldend als werkuren.