Bijdrage op het 15de internationaal Communistisch Seminarie
"Huidige en vroegere ervaringen in de internationale communistische
beweging"
Brussel, 5 - 7 mei 2005
www.icsbrussels.org , ics[at]icsbrussels.org
De invloed van de Communistische Internationale op de oprichting en de ontwikkeling van de Communistische Partij van de Filippijnen
Communistische Partij van de Filippijnen
Door Jose Maria Sison
Oprichtend Voorzitter van de Communistische Partij van de Filippijnen
I Achtergrond van de arbeidersklasse in de Filippijnen
Het embryo van het moderne industriële proletariaat ontstond in de tweede helft van de 19e eeuw onder Spanje in de koloniale en feodale Filippijnen. De machines voor een moderne industrie en handel waren geïmporteerd. Men vond arbeiders bij de spoorwegen, op scheepswerven, in het transport, in energie centrales, de bouw, magazijnen, drukkerijen, tabaksverwerking, brouwerijen, touwbanen, suikerraffinaderijen, leerlooierijen enz. De oprichting van de grafische bond (Unión de Litógrafos y Impresores de Filipinas) en de arbeidersfederatie [Unión Obrero Democrática (UOD)] in 1902 was een stap van de gremios of gilden van ambachtslieden en loonarbeiders van de vorige eeuw naar de moderne vakbeweging.
De Filippijnse oprichter van de UOD, Isabelo Reyes, was eind 1901 teruggekeerd naar de Filippijnen na zijn gevangenschap in Barcelona sedert 1897 wegens anti-koloniale activiteiten, maar was in 1898 vrijgelaten door de Spaanse autoriteiten om zich Europa bezig te houden met een propaganda campagne tegen de VS. Hij was bekend met de verschillende maatschappelijke en politieke stromingen in Europa en bracht radicale literatuur met zich meer naar zijn vaderland, waaronder een aantal werken van Marx. Maar het burgerlijk nationalisme en het anarcho-syndicalisme hadden hem het meest beïnvloed. De vorming van de vakbeweging zag hij als de weg voor de opbouw van de nationalistische beweging tegen de nieuwe koloniale macht—de VS.
Als moderne imperialistische mogendheid richtten de VS zich op de ontwikkeling van een half-feodale economie in de Filippijnen om overtollige producten en uit de VS op te nemen, en VS-kapitaal te investeren in de landbouw en de winning van minerale grondstoffen om die productie op ongelijke voorwaarden te verhandelen naar de VS. Zij industrialiseerden de Filippijnen niet, hoewel het moderne proletariaat met 10% toenam als gevolg van de verbetering van het transportwezen en andere communicatiemiddelen, door de opening van mijnen, moderne plantages, een toename in de particuliere bouw, publieke werken en en de metaalproductie, groei van de farmaceutische industrie, de productie van dranken, huishoudelijke producten, textiel, lederwaren, enz. Het aantal boeren verminderde met 10–15%, maar de economie bleef overwegend agrarisch van karakter. De afname van het aantal boeren deed de werkende klasse en de kleine burgerij groeien.
Anders dan de gele vakbondsleiders die zich louter door de bazen lieten leiden, waren de leiders van de patriottische en progressieve vakbonden op de hoogte van de radicale en vakbondsbewegingen in het buitenland, met name in Europa en de VS. Zij begrepen in de verte het socialisme als middel om een eind te maken aan uitbuiting en realisatie van de nationale onafhankelijkheid als voorwaarde om de vruchten van de materiële productie aan de werkende bevolking te doen toekomen. Maar zij waren het best onderlegd in de ideeën van nationalisme en liberalisme in de traditie van de Franse revolutie. Hoewel er in 1917 geen marxistische studiegroepen bestonden in de Filippijnen, verwelkomden de meest ontwikkelde vakbondsleiders en vele arbeiders het nieuws over de wereldschokkende salvo’s van de Grote Socialistische Oktober Revolutie.
Crisanto Evangelista de toekomstige oprichter van de Communistische Partij van de Eilanden der Filippijnen (CPPI) was nog lid van de Partido Nacionalista toen hij als vertegenwoordiger van Philippine labor in 1919 deelnam aan de onafhankelijkheidsmissie naar Washington. Hij voerde uitgebreide discussies over de bolsjewistische revolutie met de leiders van de Industrial Workers of the World (IWW). Maar er zijn geen historische gegevens dat hij ooit een serieus gesprek had met linkse leden van de Socialist Party of America, die toen bezig waren met de oprichting van de Communistische Arbeiderspartij en de Communist Party of America, de eerste antecedenten van de Communist Party of the USA (CPUSA).
Het grootste deel van de jaren 1920, hielden Evangelista en andere progressieve leiders van de arbeidersbeweging zich vooral bezig met de vereniging van de vakbonden en de arbeidersfederaties in de Congreso Obrero de Filipinas (COF). Pas in 1925 richtten zij, op basis van de vakbeweging en de boerenbeweging, de Partido Obrero (Arbeiderspartij) op. Dat werd het moment waarop de patriottische en progressieve leiders zich wisten te onderscheiden van de gele leiders, maar de Partido Obrero was nog steeds niet de marxistische voorhoede van de werkende klasse.
De Filippino’s gaan er prat op, dat zij de eerste burgerlijk democratische revolutie in Azië hebben gemaakt. De Filippijnse revolutie van 1896 liep zeker vooruit op de Chinese revolutie van 1911, de Indonesische opstand van 1926 tegen het Hollandse kolonialisme, de onafhankelijkheid van India, enz., maar de Filippino’s moeten de Indonesiërs en de Chinezen nageven, dat die al veel eerder dan de oprichting van Communistische Partij der Filippijnse Eilanden (CPPI) in 1930 respectievelijk in 1920 en 1921 de Communistische Partij Indonesië (PKI) en de Communistische Partij China (CPC) hebben opgericht. Net als bij alle andere communistische partijen ontstond de CPPI door de congruentie en de interactie van objectieve en subjectieve factoren.
II De Communistische Internationale vis-à-vis de Filippijnen
De Derde Internationale of de Communistische Internationale (Komintern) werd in 1919 opgericht op haar Eerste Congres te Moskou op 2–6 maart. Daar kwamen 52 vertegenwoordigers van 36 communistische en socialistische partijen, organisaties en groepen bijeen. Het was het noodzakelijke en logische gevolg van de overwinning van de Grote Socialistische Oktober Revolutie, waardoor Rusland het centrum was geworden van de proletarische wereldrevolutie. Zij stond in duidelijke tegenstelling tot de bankroete opportunistische en revisionistische lijn van de Tweede Internationale, die de sociaal-democraten had veranderd in sociaal-chauvinistische en sociaal-pacifistische slippendragers van het imperialisme in kapitalistische uitbuiting, kolonialisme en het voeren van agressie-oorlogen.
Optimistisch verklaarde het programma van de Komintern dat het imperialistisch systeem bezig was ineen te storten, dat het gistte in de kolonies en onder de voormalig afhankelijke kleine naties, dat het proletariaat in opstand kwam, de proletarische revolutie in een aantal landen zegevierde, de legers van het imperialisme uiteen vielen, en de heersende klassen volledig incapabel waren om hun volkeren te besturen. Er stond in dat de chaos alleen overwonnen kon worden door de grootste klasse, de klasse van de producenten. De arbeidersklasse kreeg als taak om echt orde te scheppen—een communistische orde—door de heerschappij van het kapitaal te vernietigen, de oorlog onmogelijke te maken en staatsgrenzen af te breken waardoor de hele wereld in een grote coöperatieve gemeenschap zou veranderen en de broederschap en de vrijheid van de volkeren feit zouden worden.
Op 22 november 1919 op het Congres van Communistische Organisaties van de Volkeren van het Oosten in Bakoe riep Lenin de deelnemers uitdagend op: "U bent de vertegenwoordigers van communistische organisaties en partijen van verschillende Oosterse volkeren. Ik moet zeggen dat de Russische bolsjewieken er in geslaagd zijn een bres te slaan in het oude imperialisme bij de uitvoering van de uiterst moeilijke, maar ook uiterst nobele taak van het nieuwe wegen banen voor de revolutie, maar u, de vertegenwoordigers van de werkende mensen van het Oosten, wacht een nog grotere en nieuwere taak. …De periode van ontwaking van het Oosten in de huidige revolutie wordt opgevolgd door een periode waarin al de Oosterse volkeren betrokken worden bij het bepalen van de toekomst van de hele wereld, om niet slechts een object tot verrijking van de anderen te zijn. De volkeren van het Oosten zullen net alle andere naties opstaan om deel te nemen aan het praktische werk van vormgeving aan de toekomst van heel de mensheid".
In zijn ‘Ontwerp Stellingen over Nationale en Koloniale Kwesties’ voor het Tweede Congres van de Komintern op 5 juni 1920, stelde Lenin: "…de hele politiek van de Communistische Internationale voor een gezamenlijke revolutionaire strijd ter omverwerping van de landeigenaren en de grote bourgeoisie moet terzake van nationale en koloniale kwesties vooral steunen op een nauwere vereniging van de proletariërs en de werkende massa’s van alle naties en landen. Alleen deze vereniging kan de overwinning op het kapitalisme zeker stellen, zonder haar is afschaffing van nationale onderdrukking en ongelijkheid onmogelijk".
Lenin zei verder, "Met betrekking tot de meer achter gebleven staten en naties, waarin feodale of boers-patriarchale verhoudingen overheersen, moeten we er in de eerste plaats aan denken dat alle communistische partijen de burgerlijk democratische bevrijdingsbeweging in deze landen moeten steunen en dat de plicht tot het verlenen van de meest actieve assistentie in de eerste plaats berust bij de werkers van het land waarvan de achtergebleven natie koloniaal of financieel afhankelijk is".
In de ‘Stellingen over Nationale en Koloniale Kwesties’ aangenomen op het Tweede Congres in juli 1920 proclameert de Komintern: "Alle communistische partijen moeten metterdaad de nationaal-revolutionaire bewegingen in de koloniale landen steunen. De vorm waarin moet besproken worden met de communistische partij in kwestie, als er al een is. Deze verplichting betreft in de eerste plaats de actieve steun van de werkers van het land waarvan het achtergebleven land financieel of als kolonie afhankelijk is". Het Programma van de Komintern zou vervolgens ook het volgende moeten bevatten: "De communistische partijen van de imperialistische landen moeten systematisch hulp verlenen aan de revolutionaire beweging in de kolonies en aan de beweging van de onderdrukte nationaliteiten in het algemeen".
Op het vijfde plenum in april 1925, ging de Komintern officieel akkoord met zijn eerste resolutie over de Filippijnen. De Amerikaanse communisten kregen daarmee de uitdrukkelijk opdracht om de bevrijdingsbeweging in de Filippijnen te steunen en de vorming van een communistische partij uit de revolutionaire leden van de arbeiders- en boerenbeweging en een nationaal revolutionaire massapartij uit alle groepen die actief campagne voerden voor nationale onafhankelijkheid aan te moedigen. Middels de Communistische Partij van de VS, tot 1930 genoemd Workers Communist Party, zou de Komintern het op zich nemen op de organisatie van de communistische partij in de Filippijnen aan te moedigen en te bevorderen.
De Filippijnse werkers zouden hun eigen partij moeten organiseren met in achtneming van de objectieve omstandigheden en de subjectieve mogelijkheden. Op zijn Tweede Congres nam de Komintern normen voor toelating aan die bepaalden dat alle besluiten van de Komintern bindend waren voor alle aangesloten partijen, maar schreef zichzelf en het Uitvoerend Comité gelijkertijd voor rekening te houden met de verscheidenheid aan omstandigheden waarin de verschillende partijen moesten vechten en werken en daarom slechts bindende besluiten te nemen wanneer dergelijke besluiten ook mogelijk waren.
III Initiele contacten met de Komintern en de Amerikaanse communisten
De Komintern richtte een aantal revolutionaire organisaties van werkende mensen; waaronder in 1921 de Rode Internationale van Vakbonden (of RILU—Russisch Profintern) en de Boeren Internationale (Russisch Krestintern) in 1923. Vervolgens werden filialen daarvan opgericht in China om het Verre Oosten en de gebieden rond de Stille Oceaan te bestrijken.
Onder auspiciën van de RILU werd van 18–24 juni 1924 in Kanton, China, de conferentie van de Pacific (Oosterse) Transportwerkers gehouden. Vijf afgevaardigden van de Filippijnen konden daarbij zijn. Om hen daar te krijgen bracht de Amerikaanse communist, Alfred Wagenknecht (ook gekend als Willian Eliot of Mateus Girunas) de uitnodigingen naar de Filippijnen, bezocht daar de vakorganisaties en nam de gekozen vertegenwoordigers met zich mee naar Kanton.
Dat waren Domingo Ponce en Jose Hilario van de Legionarios del Trabajo, Eliseo Alampay van Manjla Railroad Transportation Workers’ Union, Jose Salazar van de International Mariners’ Union of the Philippines en Eugenio Enorme van de Nuevo Gremio de Marinos Mercantes. Zij spraken daar met arbeidersleiders uit China, Indonesië, Japan, Korea, Australië, de VS, Engeland, Frankrijk en de USSR.
Van de conferentie brachten ze een resolutie mee terug, die opriep voor de onafhankelijkheid van de Filippijnen van de koloniale overheersing van de VS en nog een andere, die de Aziatische werkers en boeren opriep vakbonden te organiseren en de strijd tegen het imperialisme en lokale uitbuiters aan te pakken. Toen ze van de conferentie terugkwamen, waren ze aanvankelijk enthousiast en vormden een ‘bolsjewistisch secretariaat’ om een geheim tijdschrift uit te geven, maar na een poosje verdween hun enthousiasme en geen van hen heeft zich later aangesloten bij de communistische beweging.
Toch was er verbinding tot stand gebracht met organisaties van de Komintern en de stroom van publicaties van de Communistische Internationale en consultaties met Amerikaanse, Chinese en Indonesische communisten was op gang gekomen die gunstig was voor de opkomst van een linkse stroming in de Filippijnse arbeidersbeweging bij de verslechtering van de maatschappelijke omstandigheden en de opleving van de anti-imperialistische klassenstrijd. In 1929 koos het Congreso Obrero de Filipinas (COF) Francisco Varona tot president en Crisanto Evangelista tot secretaris. In 1925 werd Evangelista secretaris van de op de COF gebaseerde Partido Obrero en wist die te bewegen tot een Linkse koers van anti-imperialisme en klassenstrijd, maar toch zocht naar wegen om het bestaande maatschappelijk systeem te hervormen en op vreedzame wijze onafhankelijkheid te verwerven. Dit was nog steeds geen marxistisch-leninistische stellingname.
Vanaf 1924 tot 1928 bezochten kaders van de CPUSA (tot 1925 Workers Party of America en later Workers Communist Party), verbonden met de in China gevestigde RILU Pan-Pacific branch, de Filippijnen en traden in contact met de Filippijnse arbeidersleiders. Daaronder waren onder andere Harrison George (afgevaardigde van de spoorwegarbeiders in de VS) en Earl Browder tot hij secretaris werd van de Pan-Pacific Trade Union Secretariat (PPTUS). Zij vertegenwoordigden een aantal keren de door de CPUSA geleide Amerikaanse Trade Union Educational League (TUEL) in de Pan-Pacific branch van de RILU in Kanton, Hankow en Shanghai.
Van 20–26 mei 1927 werd een Pan-Pacific Vakbondsconferentie gehouden door de RILU. Uitnodigingen werden ook gestuurd naar de Filippijnse vakbonden en arbeidersfederaties, maar geen enkele Filippijnse delegatie was in staat te komen. Er werd een permanent Pacific Trade Union Secretariat (PPTUS) opgericht. Uit naam van Amerikaanse werkers, kreeg Harrison George een resolutie aangenomen waarin solidariteit met de werkers en de boeren in de Filippijnen werd uitgesproken en steun betuigd met hun strijd voor nationale bevrijding en verlossing van uitbuiting.
Op haar 15e conventie op 30 juli 1927, verklaarde de Congreso Obrero de Filipinas haar steun aan de PPTUS en beloofde aan de realisatie te werken van het op de Hankow conferentie aangenomen programma. De COF en de Kalipunang Pambansa ng mga Magbubukid ng Pilipinas (KPMP, Nationale Federatie van Boeren van de Filippijnen) sloten zich aan bij de PPTUS. De KPMP trad ook in verbinding met de Boeren Internationale (Krestintern).
IV Bezoek van Evangelista aan Moskou en Filippijnse arbeiders als studenten
In maart 1928 nodigde de RILU Crisanto Evangelista en Cirilo Bognot van de COF uit om deel te nemen aan het 4e congres van de RILU in Moskou. In diezelfde tijd nodigde de Boeren Internationale Jacinto Nanahan van de KPMP uit naar hun conferentie. In februari deden zij Shanghai aan om Earl Browder en andere kaders van de PPTUS te consulteren. Evangelista en Manahan bleven drie maanden in Moskou. Zij voerden lange discussies met het Politiek Secretariaat van de Komintern over de kwestie van het organiseren van de voorhoedepartij van de werkende klasse in de Filippijnen.
Op 20 april 1928 nam het Secretariaat een resolutie aan, ‘De hoofdtaak van de communisten in de Filippijnen’. Daarin stond het volgende: "de eerste en noodzakelijkste voorwaarde voor de vestiging van een communistische partij is de vorming van een communistische initiatiegroep die zichzelf heeft geschoold in de revolutionaire geest van het marxisme-leninisme, die de belangrijkste lessen heeft getrokken uit de ervaringen van de internationale communistische beweging, die heeft geleerd hoe die ervaring toe te passen op de bijzondere omstandigheden van de arbeidersbeweging in de Filippijnen, en die bij machte is de Arbeiderspartij (Partido Obrero) langzamerhand om te vormen tot een partij van de massa’s, tot een effectieve communistische partij.
Evangelista stelde in april 1928 voor om Filippijnse arbeiders naar Moskou te sturen om te studeren. Hij bezocht de Communistische Universiteit van de Zwoegers van het Oosten en sprak daar met de directeur en de scholingscoördinatoren van Profintern en Krestintern. Daarvoor, in oktobere 1927, had Harrison George de Komintern reeds aangeraden elk jaar zes Filippino’s uit te nodigen om in Moskou aan de communistische universiteit te studeren.
Bij zijn terugkeer naar de Filippijnen regelde Evangelista voor drie jonge arbeiders een scholing in Moskou. Dat waren Dominador G. Galvez, een vakbondsleider in de Ang Tibay slipperfabriek; Liborio Natividad en Ambrosion Candido die bestuursleden waren in bonden van sigarenmakers. Zij vertrokken op 20 augustus 1928 richting Shanghai en kwamen op 2 oktober 1928 in Moskou aan na een zeer zware reis via Dairen, Harbin en Manzhouli aan de Sovjet-Chinese grens en de Trans-Siberische Spoorweg.
Zij studeerden aan de Communistische Universiteit van de Zwoegers van het Oosten. Dit was een speciale middelbare opleiding voor studenten uit Azië en een vooropleiding voor de hogere Leninschool. De klasgenoten van de Filippin’s kwamen uit China, Indo-China, Mongolië, Korea, India, Indonesië en uit de Aziatische autonome Sovjet-republieken in de Kaukasus en Siberië. De meesten kwamen uit China.
Er werd les gegeven in dialectisch en historisch materialisme, politieke economie, wereldgeschiedenis, geschiedenis van de arbeidersbeweging, natuurwetenschappen, natuurkunde en wiskunde. Zij kregen de eerste militaire oefeningen en excursies. Hun leraren waren Engels sprekende Sovjet professors en Amerikaanse communistische kaderleden van de Komintern. Eugebe Dennis, die les gaf over de vakbeweging, zou later naar de Filippijnen gaan onder de naam Tin Ryan.
Galvez doorliep de hele leergang van drie jaar en werd lid van de Komsomol, of de Communistische Jeugdbond van de USSR. Het Amerikaanse kaderlid Sam Darcy in dienst van de Konintern onderrichtte hem in het partijwerk. Na zijn terugkeer in de Filippijnen in november 1931, nam Galves actief deel aan het scholingsprogramma van de Partij. Natividad, die slechts twee jaar van de cursus doorliep, kwam eerder naar de Filippijnen terug en werd afgevaardigd naar het Eerste Congres van de CPP op 30 mei 1931.
In juni 1929 vertrokken er nog twee Filippijnse arbeiders naar Moskou om daar aan de Communistische Universiteit van de Zwoegers van het Oosten te studeren. Dat waren Emilio Maclang, een boerenorganisator van de KPMP, en Pascual Bambao van de Katipunan ng mga Anakpawis ng Pilipinas (KAP, Proletarisch Arbeiders Congres van de Filippijnen). De eerste volgde de hele cursus van drie jaar en bleef nog een jaar langer om teksten en documenten te vertalen in de nationale taal van de Filippijnen. Na zijn terugkeer zou hij worden gekozen als het hoofd van de tweede bestuurslaag. Hij werd de ondergrondse secretaris van de CPP toen de legale leiders van de CPP werden gevangen gezet en verbannen.
De Amerikaanse kaders bleken duidelijk het meest behulpzaam voor de Filippijnse kader bij de vorming van de CPPI. Maar ook kameraden uit andere landen, vooral de Chinezen, waren ook zeer van nut omdat zijn hun eigen vak- en jeugdorganisaties hadden in de Filippijnen. De Chinese afdeling van de Communistische Partij China (CCP) in de Filippijnen werd begin jaren 1920 opgericht, ver voor de oprichting van de Communistische Partij der Filippijnse Eilanden (CPPI). Kamera C die de voornoemde afdeling leidde was een oude hechte kameraad van Crisanto Evangelista in de vakbeweging. De Communistische Jeugdbond van de CCP werd in 1926 opgericht. Die was ook bekend onder de naam Hoa Chiao Chung Kung Hue (Overseas Chinese Communist Union).
Die werd geleid door Co Sing Liat, die later, in 1930, met nog twee andere Chinese kameraden, (Ko Keng Seng and Sun Ping) lid werd van het eerste Centrale Comité van de CPPI. De Chinese communisten organiseerden de Chinees-Filippijnse Arbeidersfederatie (PCLF). De PCLF onderhield nauwe betrekkingen met de COF en de Partido Obrero. In oktober 1929 besloten de CCP en de Chinese Communistische Jeugdbond dat de Chines communisten de inspanningen van de Partido Obrero tot oprichting van de Communistische Parij der Filippijnse Eilanden (CPPI) zouden ondersteunen. Tegelijkertijd werden de betrekkingen van de PCLF met de Profintern verlegd via het bestuur van de Partido Obrero. Toen de PPTUS verhuisde van China naar Vladiwostok, bleef de PCLF publicaties in het Chinees ontvangen via de Partido Obrero.
V De oprichting van de Communistische Partij der Filippijnse Eilanden
In het jaar voorafgaand aan de oprichting van de Communistische Partij der Filippijnse Eilanden (CPPI) overspoelde de Grote Depressie het kapitalistische wereldsysteem. De economische en sociale omstandigheden verslechterden snel. De zwoegende massa’s van de werkers en de boeren kwamen in beroering. Werkstakingen en boerenopstanden braken overal uit. Er ontstond een luide roep om nationale onafhankelijkheid van het koloniale regiem van de VS en de klassenstrijd tegen de lokale compradore grote bourgeoisie en de klasse van grootgrondbezitters werd heviger. De objectieve voorwaarden voor oprichting van de CPPI waren aanwezig.
Zevenentwintig van de 35 arbeidersfederaties en verenigingen van de COF maakten zich daarvan los en vormden de Katipunan ng mga Anakpawis ng Pilipinas (KAP, Proletarian Labor Congress of the Philippines). De KAP en de Kalipunang Pambansa ng mga Magbubukid ng Pilipinas (KPMP, National Federation of Peasants in the Philippines) werd de georganiseerde massabasis van de op te richten CPPI. De PPTUS erkende de KAP als de legitieme vertegenwoordiger van de georganiseerde werkers in de Filippijnen. De door de CPUSA geleide Trade Union Unity League (TUUL) bestemde een zetel in haar Nationaal Uitvoerend Comité voor de vertegenwoordigers van de KAP uit eerbetoon.
Na de formatie van de KAP, werd het Comité voor een Voorhoede Arbeiderspartij op gezet om de eerste communistische leden te rekruteren. Tegen juni 1930 waren er 96 leden. Vijftig percent industriearbeiders, 25% boeren en 25% handwerkslieden en kantoorpersoneel. De meesten kwamen uit de vakbonden van de KAP. Tegen die tijd ook waren 60 Chinese communisten van de PCLF en de YCL klaar om lid te worden van de CPPI, maar zij hielden hun autonome Chinese kernen in stand.
Op 26 augustus 1930 werd de partij georganiseerd op een conventie en het Eerste Centrale Comité van 35 leden gekozen. Het Politbureau bestond uit Crisanto Evangelista, Antonio D. Ora, Jacinto G. Manahan, Juan N. Feleo, Felix Caguin Urbano Arcega en de Chinees ‘Comrade C’. Evangelista werd gekozen als algemeen secretaris en Antonio D. Ora als voorzitter. Vervolgens werd de partij formeel gepresenteerd op een openbare bijeenkomst op 7 november 1930 bij de viering van de verjaardag van de Grote Socialistische Oktober Revolutie. Tijdens de meeting vulden 3000 van de 6000 verzamelde arbeiders en boeren een aanmeldingsformulier voor de Partij in.
De doelstellingen van de CPP waren: strijden voor de onmiddellijke, volledige en absolutie onafhankelijkheid van de Filippijnen, strijden voor de omverwerping van het Amerikaans imperialisme dat de Filippijnen overheerst, strijd tegen uitbuiting van de massa’s en de verdediging van hun vrijheden, strijden voor de omverwerping van het kapitalistisch systeem, versterken van de eenheid van de arbeidersbeweging, met name de eenheid van de arbeiders en de boeren; strijden tegen reformisme en opportunisme in de arbeidersbeweging, de instelling van een sovjet of communistische vorm van bestuur onder autoriteit en bestuur van de massa’s; vereniging van de internationale revolutionaire beweging, inclusief de Sovjetunie en de bevrijdingsbewegingen in de kolonies.
Anders dan andere communistische partijen in Oost-Azië, werd de CPPI openlijk en legaal opgericht, ondanks de door hen geproclameerde omverwerping van het imperialisme van de VS en het kapitalistisch systeem. Daarom was zij kwetsbaar voor de vervolging die een paar maanden na haar oprichting begon. De koloniale autoriteiten van de VS hielden in 1931 de legale massa-acties van de nieuw opgerichte partij scherp in het oog en verstoorden die. De leiders van de CPPI en de gedelegeerden naar het Eerste Congres van de Partij werden massaal opgepakt. De partijleiders werden beschuldigd van opruiing en illegale vereniging, en vervolgens na een reeks processen in 1933 veroordeeld tot gevangenisstraf en ballingschap
VI Zwakheden van de nieuw opgerichte partij
Spoedig na de oprichting van de CPPI zond de Komintern de Amerikaanse communist Eugene Dennis (Tim Tyan) naar de Filippijnen om te informeren en te rapporteren over de situatie binnen de Partij en aanbevelingen te doen. Hij berichtte dat de CPPI een aanzienlijke invloed had en haar kristallisatie van enorme betekenis was voor de werkers en de boeren en voor de revolutionaire beweging als geheel en de basis heeft weten te leggen voor de snelle ontwikkeling van de nationale bevrijdingsbeweging onder klassenleiding. Maar hij ontdekte ook dat de partij ernstig achter bleef in de ontwikkeling van de stakingsbeweging onder de werkers (er werden slechts een paar stakingen geleid door de CPPI) en bij het organiseren van de groeiende ontevredenheid onder de boerenmassa’s.
Hij wees op de ernstig inefficiëntie van de CPPI in het opzetten van haar werk van onderop en bij het op basis van hun dagelijkse behoeften leiding geven aan de werkers en de boeren in de strijd. Hij nam waar dat men liever van bovenaf werkte inplaats van onderop door massawerk. De oprichting van de partij was niet voorafgegaan door massawerk en discussies die hadden moeten leiden tot de verkiezing van afgevaardigden van communistische groepen binnen de KAP, KPMP en andere organisaties. Hij was van mening dat de CPPI meer functioneerde als een propagandaorganisatie en nog niet als een strijdmacht van de werkers en de boeren. De strijd tegen reformistische vakbondsleiders was niet georganiseerd in werkplaatsen maar werd gevoerd op massabijeenkomsten en via strooibiljetten aan de poort. Daarbij was er een gebrek aan instructie materiaal en publicaties voor de verbreiding van het marxisme-leninisme en voor de toepassing daarvan op de Filippijnse geschiedenis en omstandigheden.
Met het partijwerk onder de boeren was het nog slechter gesteld, volgens Eugene Dennis. De KPMP was log geraakt van het dagelijks leven en de strijd van de boeren. Zij was niet geslaagd in de opbouw van boerencomités voor het organiseren van de strijd en van stakingen tegen de pacht en belastingen en voor de mobilisatie van de boeren om de uitzettingen te stoppen. Hij merkte een neiging om het heil te verwachten van juridische duels in gerechtshoven en het dingen naar steun van lokale politici van de burgerlijke partijen. Hij stelde ook vast dat er nauwelijks gesproken kon worden van de organisatie van jongeren of vrouwen. Er heerste politieke en organisatorische verwarring omdat men geen onderscheid wist te maken tussen CPPI, de KAP, de KPMP en de Anti-imperialistische Bond.
Naar aanleiding van de aanbevelingen van Dennis in zijn "The Present Situation in the Philippines and the Immediate Tasks of the Communist Party" adviseerde de Komintern de CPPI om binnen zes maanden haar eerste congres te houden en dat in de lagere regionen van de partij geducht voor te bereiden door een ontwerp programma ter discussie te stellen. De partij werd er op gewezen dat haar legale bestaan van korte duur zou kunnen zijn omdat het financierskapitaal van de VS voorbereidingen trof om de partij te onderdrukken. De partij kreeg het advies een niet van de massa’s geïsoleerd ondergronds apparaat te bouwen, maar integendeel via massaorganisaties en de massa-strijd daarmee verbonden is.
De CPPI nam het advies van de Komintern ter harte en hield haar Eerste Congres op 30 mei 1931. De 400 gedelegeerden vormden een goede representatie van de zwoegende massa’s. De resoluties gingen in op de politieke en organisatorische problemen in overeenstemming met de aanbevelingen van de Komintern. De geest van internationalisme kwam tot uiting in resoluties in solidariteit met de Chinese werkers en tot steun aan de Sovjetunie en door besluiten tot versterking van de banden tussen KAP en PPTUS evenals met de Trade Union Unity League onder leiding van de CPUSA. Het congres nam ook een resolutie aan voor de officiële aansluiting bij de Komintern.
De CPPI kreeg een antwoord gedateerd 7 september 1931 met de volgende inhoud:
Het Uitvoerend Comité van de Communistische International begroet de oprichting van de CPPI en is het eens met het besluit van het Eerste Congres van de CPPI in mei 1931 om aansluiting bij de CI te verzoeken. Dit besluit zal gepresenteerd worden op het 7e Wereld Congres van de CI ter bevestiging.
De vestiging van een nieuwe sector van de CI in de Filippijnen weerspiegelt de snelle groei van de nationale revolutionaire beweging in de koloniale landen. Bovendien is dit een historisch keerpunt in de ontwikkeling van de Filippijnse revolutie, weg van de verraderlijke weg van nationaal reformisme in de richting van de georganiseerde revolutionaire strijd onder het vaandel van de communistische partij, de voorhoede van de werkende klasse. Het is een teken van de zich ontwikkelende revolutionaire opleving in de Filippijnen en de politieke ontwaking van het Filippijnse proletariaat en de boerenmassa’s. Het toont dat zij resoluut willen strijden voor een revolutionaire uitweg uit de kapitalistische crisis, naar de volledige en onmiddellijke bevrijding van de Filippijnen van de heerschappij van het Amerikaanse imperialisme en zijn lokale lakeien, en voor de installatie van een regering van werkers en boeren.
De georganiseerde kristallisatie van de communistische beweging op de Filippijnse eilanden en haar aansluiting bij de CI—de leider van de georganiseerde wereldrevolutie—betekent verder de coördinatie van de nationale bevrijdingsbeweging met de revolutionaire strijd in andere koloniale en semi-koloniale landen en met de proletarische beweging in de Sovjetunie en de kapitalistische landen, vooral in de VS: en het is de zekerste garantie voor de zegevierenden doorvoering van de anti-imperialistische en agrarische revolutie in de Filippijnen. Het versterkt tegelijkertijd het internationale front van de werkers en de boeren en de koloniale slaven over heel de wereld, en is uitdrukking van hun groeiende vertrouwen in de strijd onder leiding van de CI, die de enige is die hen kan leiden en helpen naar de overwinning in hun strijd voor de uiteindelijke bevrijding van het juk van het imperialisme.
VII De ondergrondse jaren van de CPPI, 1933–1937
De CPPI volgde niet de hele lijn van de anti-imperialistische en agrarische revolutie om de vijand omver te werpen en een regering van werkers en boeren in te stellen, zoals uitgezet door de Komintern en tentoongespreid door de Chinese Communistische Partij. In China voerde de CCP onder leiding van Kameraad Mao Zedong een revolutionaire gewapende strijd om de anti-imperialistische en agrarische revolutie door te voeren. Daardoor slaagde zij er in de noodzakelijke en effectieve alliantie tussen de werkende klasse en de boeren tot stand te brengen waardoor de nationaal democratische revolutie onder leiding van de werkende klasse de steun kreeg van de gigantische macht van de boerenmassa’s.
De CPPI sprak over de omverwerping van het VS-imperialisme, de hele bourgeoisie en de klasse van grootgrondbezitters en hetzelfde te willen bereiken wat de werkende klasse van Rusland had bereikt. Maar dat was louter retoriek. De CPPI zag niet dat het koloniale heerschappij van de VS en de chronische crisis van de semi-feodale economie gunstige omstandigheden boden voor de gewapende revolutie. Ook zag zij geen andere vorm van gewapende revolutie dan de korte en tijdelijke uitbarstingen en opstanden die gemakkelijk in de kiem konden worden gesmoord door de koloniale autoriteiten. Zij had geen idee van de strategische lijn van een langdurige volksoorlog onder omstandigheden van chronische crisis in een koloniaal of semi-koloniaal en semi-feodaal soort van maatschappij.
Ten aanzien van anti-imperialisme wedijverde de CPPI met de Partido Nacionalista en andere burgerlijke partijen in het eisen van onmiddellijke, volledige en absolute nationale onafhankelijkheid binnen de legale en politieke processen van het koloniale systeem van de VS. Zij maakte geen enkele analyse van de lokale burgerij en verviel daarom in een algemene anti-bourgeois en antikapitalistische retoriek. Bij gebrek aan een analyse van de lokale bourgeoisie, vertoonde zij de sektarische neiging de deur gesloten te houden voor de stedelijke kleinburgerij (vooral de intelligentsia) die zich wel wilden omvormen tot proletarische revolutionairen. Zij wist geen onderscheid te maken tussen de middenbourgeoisie en de grote compradore bourgeoisie. Zij veroordeelde de populistische en Japan gezinde Sakdalista Partij wegens avonturisme die een gewapende opstand tegen de koloniale heerschappij van de VS wilden ontketenen, maar zij gebruikte de veroordeling van deze partij om de uitsluiting van de revolutionaire gewapende strijd te rechtvaardigen.
Ten aanzien van de kwestie van de agrarische revolutie had de CPPI geen omvattend idee hoe die uit te voeren door die te integreren in de gewapende strijd, landhervorming en massawerk en dit te doen binnen het kader van de nationale democratische revolutie. Zij roemde een korte tijd de Tayug opstand van de boeren tegen het systeem en de praktijk van het feodalisme, om vervolgens gedurende heel de jaren 1930 alle gewapende boerenrevoltes in de verschillende provincies van Luzon, Visayas en Mindanao als anarchistisch en avonturistisch te veroordelen. Zij deed dat om zelf niet aan een agrarische revolutie te beginnen. Volgens haar was de communist Teodoro Adedillo een renegaat omdat hij in 1934 geprobeerd had een anti-imperialistische en anti-feodale strijd te voeren in de provincie Laguna. Zij stelde de Socialistische Partij en de Aguman deng Maldeng Tagapagobra (Liga van de Zwoegende Massa’s) verantwoordelijk voor het spontane afbranden van suikerrietvelden en het doden van gewelddadige landheren en beschuldigde hen van avonturisme en zelfs terrorisme.
Onmiddellijk nadat de koloniale autoriteiten van de VS zich op haar wierpen in 1931, verminderde het ledental abrupt van 2000 tot een paar honderd. De leden die overbleven hadden over het algemeen een laag politiek en ideologisch bewustzijn, geen ervaring en waren organisatorisch niet voorbereid op repressie. De leiding van de CPPI had het marxisme-leninisme nog niet volledig en diepgaand toegepast op de Filippijnse geschiedenis en omstandigheden om een idee te krijgen van het karakter van de Filippijnse maatschappij en de overeenkomstige fase van de Filippijnse revolutie, van de vrienden en de vijanden van de revolutie, de strategie en de tactiek, de belangrijkste taken en de perspectieven van de revolutie.
Toen zij hun gevangenisstraf er op hadden, werden de CPPI leiders verbannen naar verschillende provincies in de Filippijnen. Zij hadden gemakkelijk hun verbanningsoord kunnen ontvluchten om de lijn van de anti-imperialistische en agrarische revolutie voort te zetten, maar dat deden ze niet. Ze bleven liever in ballingschap, hoewel ze contact bleven onderhouden met de ondergrondse CPPI. Als tweede in de leiding nam Emilio Maclang, die onder auspicien van de Komintern in Moskou had gestudeerd, van 1933 tot 1935 de plaats in van Evangelista. Hij kon de verzwakking van de organisatie van de CPPI niet keren. Rufino Tumanda verving hem van 1935 tot 1938. Hij was als Filippino lid geweest van de CPUSA en was oprichter van de Filipino Anti-Imperialist League in Brooklyn. Hij had de goedkeuring van de CPUSA op een bilaterale basis en binnen het kader van de Komintern. Hij was kon niet voorkomen dat het ledental van de CPPI daalde tot slechts 197 in 1938.
Hoewel het ledental van de partij klein bleef, hadden de actieve leden binnen de KAP en de KPMP een grote invloed in de fabrieken van Manila en van een aantal steden in Centraal Luzon. Ook de door de CPPI geleide League for the Defense of Democracy oefende een toenemende invloed uit op de stedelijke kleinburgerij, met name op de intelligentsia. De kern bestond uit een paar intellectuelen van de universiteit en een Filippijnse leden van de CPUSA die naar de Filippijnen waren teruggekeerd (Dr Vicente Lava is daarvan een prominent voorbeeld).
Het Volksfront ontstond in 1936 als een anti-fascistisch verenigd front. Daardoor kreeg de CPPI wat meer bewegingsruimte, maar het werd zo breed dat het ook de Sakdalista partij en de Nationaal Socialistische Partij van Emilio Aguinaldo omvatte, zich vooral bezighield met de verkiezingsstrijd tegen de aan de macht zijnde Partido Nacionalista en tot 1938 moeite had aandacht te krijgen voor het fascisme in Japan, Duitsland, Italië en Spanje.
Ondanks haar ondergrondse bestaan kon de CPPI, met de hulp van de CPUSA een delegatie sturen naar het uitermate belangrijke 7e Wereldcongres van de Komintern in 1934. De delegatie bestond uit Lazaro Cruz, Martin Bautista en Ramon Espiritu. Omdat het congres met een jaar verdaagd werd naar 1935, waren zij in de gelegenheid voor een jaar te studeren aan de Communistische Universiteit van de Zwoegers van het Oosten. Het 7e Komintern Congres van 1935 legde de nadruk op de ontwikkeling van een breed verenigd antifascistisch en anti-oorlogsfront van communistische en niet-communistische krachten gericht tegen de fascistische krachten die golden als de ernstigste bedreiging voor de mensheid. Het congres keurde ook de aanvraag van de CPPI uit 1931 voor het lidmaatschap van de Komintern goed, hoewel voorwaardelijk, omdat de CPPI niet in staat was een kaderlid te stationeren in het hoofdkwartier in Moskou. Lazaro Cruz bleef een paar maanden langer in Moskou om ervaring op te doen met het werk op het hoofdkwartier van de Komintern.
In 1935 vertrok een groep van vij Filippijnse studenten naar Moskou via China en de de Trans-Siberische spoorweg. Dat waren Felipe Sevilla van de vakbond voor tabaksarbeiders, Godofredo R. Mallari van de KPMP, Pablo Antonio van de KPMP, Primitivo Arrogante van de dokwerkersvakbond en Fermin Rodillas van een sigarettenfabriek. Zij werden begeleid door het CPUSA kaderlid Isabelle Auerbach, de vrouw van de schrijver Sol Auerbach, of James S. Allen, zijn pseudoniem. De Filippino’s wisten in 1937 en 1938 via West Europa en de VS weer naar huis terug te keren. Verdere pogingen van de CPPI in 1936 en 1937 om Filippino’s via China en de Trans-Siberische spoorweg naar Moskou te sturen, liepen spaak vanwege de totale agressieoorlog van Japan tegen China.
De CPPI had vanaf het begin een zeer verdienstelijke staat van dienst in het proletarisch internationalisme. Zij steunde de revolutionaire bewegingen van de Indonesiërs, de Chinezen, de Indo-chinezen, de Maleisiërs, de Indiërs en van andere volkeren tegen de koloniale mogendheden en hun marionetten. Filippijns-Chinese communisten die lid waren van de CPPI steunden ofwel de Chinese revolutie vanuit de Filippijnen of zij gingen naar China om zich te voegen bij de CCP en het volksleger. Filippijnse leden van zowel de CPPI als van de CPUSA gingen bij het Abraham Lincoln Battaljon om te vechten aan de kant van de Spaanse republikeinen tegen de fascistische troepen van Franco in de Spaanse burgeroorlog.
VIII De legalisering van de CPPI en de fusie van de CP en SP
De CPUSA stuurde James S. Allen (Sol Auerbach) in 1936 naar de Filippijnen om de antifascistische volksfrontlijn van het 7e Wereldcongres van de Komintern onder de Filippijnse communisten te implementeren. Hij was ook gemachtigd om te werken aan de bevrijding van de gevangen en verbannen CPPI leiders en de legalisering van de CPPI en de fusie van de CPPI met de Socialistische Partij, geleid door Pedro Abad Santos, te onderzoeken. Allen reisde naar de Filippijnen als correspondent van het prestigieuze liberale Amerikaanse blad The Nation. Hij en zijn vrouw verbleven van augustus tot november 1936 in het land.
Zij kenden de ondergrondse secretaris-generaal van de CPPI, Rufino Tumanda, die in New York City lid was geweest van de CPUSA, zeer goed. Hij regelde hun bezoeken aan Crisanto Evangelista, Guillermo Capadocia en Mariano Balgos in hun verbanningsoorden. Tenslotte organiseerde hij een conferentie van 25 centrale kader om James S. Allen te informeren en hem te consulteren over de situatie, de gezichtspunten en de plannen van de CPPI. Hij bood hem ook de gelegenheid om Pedro Abad Santos, de voorzitter van de Socialistische Partij, te consulteren en goede betrekkingen met hem aan te knopen evenals met de Hoofdbisschop Gregorio Aglipay van de Philippine Independent Church en een aantal intellectuelen.
Op 20 september 1936 liet het Centraal Comité van de CPPI een manifest het licht zien getiteld, "Voorwaarts naar de vorming van het Volksfront". Daarin riep zij op voor een alliantie van alle arbeiders, boeren en middenklas organisaties en politieke en maatschappelijke groepen die tegen het beleid waren van de regering, met name tegen de Quezon- Osmeña coalitie, die bereid waren te werken voor betere sociale omstandigheden en voor absolute nationale onafhankelijkheid. Doel van het Volksfront was: Het Filippijnse volk te behoeden voor de gevaren van de imperialistische oorlog, dictatuur en fascisme, de leefomstandigheden van de massa’s te verbeteren en onafhankelijkheid te verwerven.
Om het Volksfront te organiseren werd een conferentie gehouden in oktober 1936, maar de leiding van de CPPI kon het karakter van het verenigd front en het anti-fascistische oogmerk van het Volksfront nog niet helemaal doorgronden. Zij liet alles en iedereen toe, van links tot rechts, zelfs Japans en fascistisch gezinde organisaties. Men had het Volksfront verkeerdelijk opgevat als vooral een electoraal instrument tegen President Quezon die gezien werd als autoritair en een bedrieger van de zaak van de nationale onafhankelijkheid en voor de onmiddellijke afscheiding van de VS. Dat het Volksfront tegen het fascisme en de oorlog van Japan en de andere fascistische mogendheden gericht zou moeten zijn, ontging de leiding van de CPPI voor tenminste twee jaar. Men dacht dat Japanse bedreiging van de Filippijnen slechts veroorzaakt werd vanwege de koloniale overheersing van de VS.
Op 23 november 1936 had James Allen een interview met President Quezon, dat een dag duurde en een baaierd van kwesties behelsde zoals democratie, fascistische dreiging, maatschappelijke onrust, sociale gerechtigheid en onafhankelijkheid. Hij maakte van de gelegenheid gebruik om Quezon er toe aan te zetten de communistische leiders vrij te laten om de nationale eenheid tegen de groeiende dreiging van aggressie van het Japanse fascisme te versterken.
Quezon zei niets over de vrijlating van de communistische leiders, maar op Nieuwjaarsdag 1937, maakte hij gebruik van zijn presidentiële bevoegdheden om hen voorwaardelijke vrij te laten. De leiders van de CPPI weigerden eerst de voorwaarden voor de bevrijding te aanvaarden, maar op 16 oktober 1937 stemden zijn met hun vrijlating in. Op verzoek van de CPUSA stond Quezon Crisanto Evangelista toe voor medische behandeling van tuberculose naar de Sovjetunie te gaan, waar hij meer dan een jaar verbleef.
Op 7 september 1937 gaf het Centraal Uitvoerend Comité van de CPPI een verklaring uit waarin het zei, dat de onmiddellijke erkenning van de Filippijnse onafhankelijkheid de Filippijnen zou behoeden voor een mogelijke invasie door Japan. Deze verklaring dwong James S. Allen een lange brief te schrijven aan de voorzitter van de Socialistische Partij, Pedro Abad Santos om uit te leggen dat de eis van onmiddellijke onafhankelijkheid of de instemming van de VS daarop, nu juist een uitnodiging zou vormen voor een invasie door Japan. De brief werd gepubliceerd in de Philippines Herald van 1 november 1937. Het was een duidelijke hint aan de CPPI om haar vuur te richten tegen de dreiging van het Japans fascisme. Veel eerder al, in 1936, had de Communistische Partij van Indo-China, op advies van de Franse communistische partij binnen het kader van de Komintern, met het oog op de handen zijnde aanval van Japan op Indo-china, de eis van onafhankelijkheid van Frankrijk ingetrokken.
Op 18 augustus 1938 was James S. Allen terug in de Filippijnen voor consulten in voorbereiding van en het bijwonen van belangrijke vergaderingen van de CPPI. Het Centraal Comité belegde een vergadering van 28–30 augustus 1938 om twee documenten te bespreken en aan te nemen, "Memorandum over de hoofdtaken van de CPPI" en "Onafhankelijkheid, Democratie en Vrede". In het memorandum stond dat het de centrale taak was van de CPPI een nationaal democratisch front te organiseren tegen het Japans militaristisch fascisme als het belangrijkste obstakel voor de instelling van een onafhankelijke democratische Republiek der Filippijnen en haar veiligheid te garanderen. Er werd besloten dat de CPPI zich zou distantiëren van Japans gezinde en terroristische elementen om de directe en meest dringende taak—haar legaliteit—uit te voeren en in de nabije toekomst een open Congres bijeen te roepen.
Van 29–31 oktober 1938 werd het Derde Congres van de CPPI gehouden met als thema: Voor een Nationaal Democratisch Front tegen Reactie en Japanse Agressie. Voor Veiligheid, Democratie, Vrede en Vrijheid! Dit was het moment waarop de CPI weer opdook in de legaliteit. De CPPI accepteerde de regering, de grondwet en de belofte van de VS dat de onafhankelijkheid in 1946 verleend zou worden. Het congres diende ook ter fusering van de CPPI met de Socialistische Partij tot de Communitsiche Partij van de Filippijnen (CPP). Er werd een nieuwe partijconstitutie aangenomen en een nieuw Centraal Comité gekozen wat op zijn beurt het Politbureau koos. De hoogste partijfunctionarissen waren Crisanto Evangelista als voorzitter, Pedro Abad Santos als vice-voorzitter en Guillermo Capadocia als secretaris-generaal.
De dreiging van een Japanse invasie werd vanaf 1938 zeer goed onderkend in de Filippijnen. De Japanse belangen en Japans gezinde politici, zakenlieden en organisaties werden uitermate gewantrouwd. De Japanse agressie tegen China en Indo-China dienden tot waarschuwing van alle Aziatische volkeren. De Chinese inwoners van de Filippijnen voerden actief campagne voor steun aan China tegen het Japans fascisme. De Spaanse burgeroorlog was ook goed voelbaar in de Filippijnen omdat de Spaanse superrijken (de Roxas, Soriano, Ayala, Zobel and Ortigas families) en de Spaans gezinde orde der Dominicanen en andere religieuze ordes op provocatieve wijze aan de kant stonden van de falangisten van Franco tegenover de progressieve krachten en het volk.
Nog geen twee maanden voor de Japanse invasie op 8 december 1941 riep het Centraal Comité van de CPP zijn georganiseerde massa’s op zich voor te bereiden op gewapend verzet en benoemde een tweede lijn van leiders met Dr. Vicente Lava aan het hoofd om de leiding over te nemen in geval de eerste lijn geelimineerd zou worden door de Japanse agressors. Voorzitter Evangelista, vice-voorzitter Pedro Abad Santos en secretaris-generaal Capadocia werden al snel in Manilla opgepakt door de Japanse fascisten.
Het Volksleger tegen Japan (Hukbalahap) werd pas op 29 maart 1942 opgericht en het plan voor de opbouw van het Barrio United Defense Corps werd ook pas laat opgesteld. De belangrijkste leiders van de CPP luisterden niet naar de al veel eerdere aandrang van Kameraad C en andere Chinese kameraden in de Filippijnen om een volksleger op te bouwen en de Chinese vechters daarin op te nemen, wier eenheden naam zouden maken als de Wa Chi. Pas in de loop van de strijd tegen de Japanse bezetting, van 1942 tot 1945, zou de CPP pas een gewapende revolutionaire strijdmacht ontwikkelen, landhervormingen door voeren, haar massabasis te verbreden en lokale organen van politiek macht instellen.
De CPUSA verbrak in 1940 haar banden met de Komintern toen de Wet Voorhis in de VS werd aangenomen waarin van de CPUSA werd geeist zich bij de hoofdofficier van Justitie te laten registreren als een buitenlandse agent van de Sovjetunie die naar wegen zoekt om de regering van de VS om te werpen. Daarmee verloor de CPP het contact met de Komintern. Op 15 mei 1943 nam de Komintern een resolutie aan waarin ze zichzelf ophief wegens de woedende oorlogsomstandigheden.
De resolutie besloot met de woorden: Het Presidium van het Uitvoerend Comité van de Communistische Internationale niet in staat onder omstandigheden van de wereldoorlog een congres van de Communistische Internationale bijeen te roepen:
De Communistische Internationale, als het bestuurscentrum van de internationale beweging van de werkende klasse dient te worden opgeheven.
De secties van de Communistische Internationale dienen te worden ontslagen van de verplichtingen van haar wetten en regelingen en van de besluiten van de congressen van de Communistische Internationale.
Het Presidium roept alle supporters van de Communistische Internationale op hun energie te concentreren op de hartgrondige steun voor een actieve deelname in de bevrijdingsoorlog gevoerd door de volkeren en staten van de anti-Hitler coalitie voor de zo spoedig mogelijk nederlaag van de vijand van de werkende klasse—het Duitse fascisme en zijn kompanen en vazallen.
IX Conclusie
Samenvattend, de Komintern was betrokken bij de CPPI tijdens haar conceptie, geboorte en gedurende haar kindertijd van 1930 tot 1941 en had, samen met de CPUSA, een duidelijke mate van invloed op haar. Het is interessant te bestuderen hoe gunstig en ongunstig deze invloed is geweest voor de ontwikkeling van een Filippijnse revolutionaire partij van het proletariaat: niet alleen in de periode van 1930 tot 1941, maar ook in de daarop volgende periodes. Dit artikel kan slechts een referentiekader vormen voor zowel belangrijke historische gegevens en objectieve omstandigheden als voor subjectieve verantwoordelijkheden, vooral van de kant van de CPPI en haar kaders onder leiding van Crisanto Evangelista.
De Komintern en de CPUSA hadden, nog lang na nadat het contact verbroken werd toen de Tweede Wereldoorlog in het gebied van de Pacific uitbrak, een ver strekkende invloed op de CPP. Die invloed had positieve en negatieve kanten. Positief was de inspiratie tot het voeren van gewapend verzet tegen de krachten van het fascisme, een anti-imperialistische en agrarische revolutie door te voeren en de revolutionaire kracht van het proletariaat en het hele volk op te bouwen onder de leiding van de communistische partij. Negatief waren onder andere de opportunistische en revisionistische invloed van het leiderschap van Earl Browder van de CPUSA bij het accepteren van de koloniale heerschappij van de VS en de commonwealth-regering, de Rechtse tendens in de politiek van ‘terugtrekken ter verdediging’ van het leiderschap van Vicente Lava en de verwelkoming van het terugkerend imperialisme van de VS en de leuze van ‘Vrede en Democratie’ na de Tweede Wereldoorlog.
De oprichters van de Communistische Partij der Filippijnse Eilanden waren zelf verantwoordelijk voor het niet gebruik maken van de gunstige omstandigheden voor anti-imperialistische en agrarische revolutie, met name voor de agrarische revolutie sedert de jaren 1920. Zij volgden consistent de lijn van legalisme en reformisme in het boerenvraagstuk en keerden zich tegen de boerenrevoltes als avonturistisch en anarchistisch, zonder te onderzoeken op de proletarische partij leiding zou kunnen geven aan de agrarische revolutie. Daardoor konden zij de boerenmassa’s niet ontwikkelen tot de belangrijkste steun voor de nieuwe democratische revolutie onder leiding van de werkende klasse.
Tot op de dag van vandaag houdt de Communistische Partij der Philippijnen-1930, de revisionistische erfgenaam van de CPPI, zich aan de lijn van legalisme en reformisme in het boerenvraagstuk en veroordeelt de Communistische Partij van de Filippijnen als ‘avonturistisch’ of zelfs ‘terroristisch’ bij het doorvoeren van de gewapende revolutie. De revisionistische lijn in het boerenvraagstuk werd na de Tweede Wereldoorlog versterkt door de lijn van Tito en Chroesjtsjov, volgens wie landhervorming onnodig is omdat de socialistische industrialisering het landprobleem automatisch en economistisch zou oplossen door mechanisering van de landbouw en het verdwijnen van de boerenstand.
Toen de CPUSA middels James S. Allen vanaf 1936 de anti-fascistische lijn van het Volksfront wist door te drukken, met de duidelijke samenwerking van de VS en de opeenvolgende commonwealth-regeringen, had de CPPI geen revolutionaire massabasis onder de boeren en geen volksleger om initiatief houden en onafhankelijk te blijven. Er moesten voorbereidingen getroffen worden tegen de ophanden zijnde invasie en bezetting door het fascistisch Japan, maar het zou veel beter geweest zijn als de CPPI in de periode voor de Tweede Wereldoorlog een revolutionaire massabasis had ontwikkeld onder de boeren en een volksleger.
De CPPI zou op het einde van de jaren 1930 haar aanval op de koloniale heerschappij van de VS veel gemakkelijker hebben kunnen richten op Japan. Zij had dan een veel groter volksleger kunnen opbouwen en meer regio’s kunnen bevrijden tijdens het verzet tegen de Japanse bezetting. Zodoende had zij veel effectiever de terugkeer van de koloniale heerschappij van de VS en de commonwealth-regering kunnen bestrijden. In plaats daarvan verwelkomde zij de terugkeer van het VS-imperialisme en de schijnonafhankelijkheid van de Filippijnen in 1946.
Ter zake van China: kameraad Mao Zedong is kameraad Stalin altijd dankbaar geweest omdat die er op gewezen had, dat de continue gewapende strijd op basis van de agrarische revolutie gunstig zou zijn voor de Chinese revolutie. De Komintern nam een gelijkaardig standpunt in. Kameraad Mao heeft de Komintern geprezen voor haar grote verdiensten voor de Chinese en voor de proletarische wereldrevolutie. Maar hij had grote kritiek op de oneigenlijke inmenging in strategie en tactiek door Wang Ming en anderen in naam van de Komintern. Deze bemoeials zijn verantwoordelijk voor de grove fouten die schade berokkenden aan het volksleger in de bergen van Chinkang waardoor de Lange Mars noodzakelijk werd. Kameraad Mao heeft ten tijde van de opheffing van de Komintern in 1943 gezegd, dat de Komintern sedert 1935 had opgehouden te interveniëren in de Chinese revolutie.
Toen Filippijnse revisionisten en de marxisten-leninisten in 1967 definitief met elkaar braken, pochten de eersten er op dat hun oudste leiders uit 1930 stamden. De oudste veteranen die de kant van de revisionisten kozen waren echter pas in 1935 en daarna lid geworden van de Partij en hadden, inzake het boerenvraagstuk altijd zwaar onder invloed gestaan van de traditie van legalisme en reformisme en van het Browderistische reformisme en opportunisme terzake van het VS-imperialisme en de reactionaire staat. Zij vielen ook gemakkelijk ten prooi aan het moderne revisionisme dat sedert 1956 zijn centrum had in de Sovjetunie.
De marxisten-leninisten die sedert 1966 de heroprichting van de CPP aanmoedigden en zich ervoor inspanden, steunden hartgrondig de wezenlijk revolutionaire inhoud van de Eerste Grote Rectificatie Beweging die gericht was op de fouten van de partij sedert de fusie in 1938 tot 1962. De oudste veteranen van de oude partij, zoals de twee nog in leven zijnde leden van het Eerste Centrale Comité van de CPPI, de kameraden Lucio Pilapil en Max Gutierrez en nog een aantal vooraanstaande kaders uit latere perioden, sloten zich daarbij aan. De heroprichting van de CPP werd ook enthousiast gesteund door kameraad C, die ook lid was geweest van het Eerste Centrale Comité en van het Politbureau van de CPPI en een hoge functionaris geweest van de Hogere Partijschool van het Centraal Comité van de Chinese Communistische Partij.
Schrijver dezes genoot in de jaren 1960 het voorrecht om de meeste van de nog levende kaders van de CPPI/CPP, die op enige wijze betrokken waren geweest bij de Komintern en de CPUSA, te mogen ontmoeten. Als CPP-kader heeft hij zich sedert 1962 ingezet voor de heropleving van de oude CPP (de fusie van de CP en de SP) en later, sedert 1966, voor de heroprichting van de CPP op de theoretische basis van het marxisme-leninisme-maoisme. Hij was zelfs ook in de gelegenheid een aantal van hen te ontmoeten die de CPPI of de CPP hadden verlaten, maar die enige directe kennis hadden van de relaties met de Komintern en de CPUSA, toen hij Antonio S. Araneta Jr adviseerde bij het schrijven van zijn proefschrift over het communisme in de Filippijnen aan de Universiteit van Oxford.
Referenties/Bronnen
Allen, James S. The Radical Left on the Eve of War. Quezon City: Foundation for Nationalist Studies, 1985.
Allen, James S. Report on the Philippines in 1939 including documents, from the James S. Allen Papers.
Araneta, Antonio S. Jr. Typescript of thesis on Communism in the Philippines, 1964.
Communist International, 1919-43. Documents
Davenport, Tim. The Communist Party of America (1919-1946) Party history in Early American Marxism, a repository of source materials, 1864-1946 http://www.marxisthistory.org/subject/usa/eam/index.html
Dimitrov, Georgi. The Fascist Offensive and the Tasks of the Communist International. Report to the 7th World Congress of the Communist International, August 1935.
Hao, Edilberto, editor, Communism in the Philippines, Book 1. Quezon City: Historical Commission of PKP-30, 1996.
Lenin, V.I. Collected Works 2nd ed. (Moscow: Progress Publishers, 1965)
Pomeroy, William. The Philippines: Colonialism, Collaboration and Resistance. New York: International Publishers, 1994.
Santayana, Gregorio (Jose Lava), Milestones in the History of Communist Party of the Philippines. Mimeographed, 1950.
Sison, Jose Maria