Bijdrage tot het 15e Internationaal Communistisch Seminarie
Actuele en vroegere ervaringen van de internationale communistische beweging
Brussel, 2-4 mei 2006
www.icsbrussels.org , ics[at]icsbrussels.org
De invloed van de Communistische Internationale op de totstandkoming van de Franse Communistische Partij
Pôle de Renaissance Communiste en France
René Lefort
De Communistische Internationale heeft een beslissende rol gespeeld in de totstandkoming van de communistische partijen. Dat was in het bijzonder het geval voor Frankrijk, waar de arbeidersbeweging heel sterk door het reformisme aangevreten was – wat leidde tot een sterke anarcho-syndicalistische stroming – en waar de omvorming tot een echte marxistische partij voor de revolutionaire strijd bijzonder moeilijk bleek.
Toen de Eerste Wereldoorlog losbarstte, sloten bijna alle politieke en syndicale arbeidersleiders zich aan bij het burgerlijke patriottisme, de landsverdediging en de Heilige Unie. Meerdere leiders – ook figuren zoals Jules Guesde, die tot dan toe tot de linkervleugel van de Socialistische Partij behoord hadden – stapten in de oorlogsregering en de arbeidersbeweging verloor het grootste deel van zijn krachten aan de algemene mobilisatie. Dit alles verhinderde aanvankelijk de vorming van een revolutionaire oppositie van enige betekenis. Langzaam en ten prooi aan grote ideologische verwarring vormden zich kleine groepen opposanten rond de redacties van provinciale dagbladen, syndicale organen en diverse tijdschriften.
De eerste – geïsoleerde en individuele – reacties komen er vanaf november 1914 binnen de CGT: enkele syndicalisten die zich verzetten tegen de imperialistische oorlog groeperen zich rond het dagblad La Vie Ouvrière. Onder hen Monatte, Rosmer, Martinet, Guilbeaux, Raymond Lefèvre… Anderen zullen zich daar later bij aansluiten en vooral in de Union Départementale du Rhône leeft er vanaf januari 1915 een sterke oppositiestroming. La Fédération des Métaux (metaalarbeidersbond) met Merrheim en zijn dagblad L’Union des Métaux, neemt op 17 april 1915 een Manifest tegen de oorlog en de Heilige Unie aan, dat gepubliceerd wordt door de Duitse socialisten onder leiding van Karl Liebknecht. Het Manifest krijgt de vorm van een oproep voor 1 Mei en de Fédération des Métaux verspreidt het clandestien in de CGT. In augustus 1915 is het de beurt aan het Nationaal Syndicaat van de Onderwijzers: zij sluiten zich ook aan bij het verzet tegen de oorlog. Na de internationale conferentie van Zimmerwald zal dit syndicale verzet zich beginnen groeperen binnen de CGT en er nieuwe krachten rekruteren.
In de herfst van 1915 verschijnt een andere revolutionaire verzetshaard met zeer anarchosyndicalistisch karakter op het toneel in de vorm van een Comité voor de Syndicale Verdediging onder leiding van Péricat.
Op politiek vlak ontstaat in mei 1915 binnen de Socialistische Partij een minderheidstendens: de Fédération de la Haute Vienne met haar krant Le Populaire du Centre. Van dan af zal haar invloed blijven toenemen maar zij vertegenwoordigt op dat moment nog maar een zeer verwarde oppositie met vage pacifistische tendensen. Andere verzetshaarden ontspruiten in Ain (rond het dagblad L’Eclaireur de l’Ain in het departement Isère) en in Lyon terwijl zich terzelfder tijd een aanzienlijke minderheidsoppositie organiseert tegen de oorlog rond de figuur van Longuet in het departement Seine.
Vanaf september 1915 zullen andere federaties onder invloed van het elan van de internationale conferentie van Zimmerwald op hun beurt de weg van het verzet kiezen, onder andere in de departementen Haute Marne, Côtes du Nord, Haute Garonne, Bouches du Rhône, Vaucluse… Wij beklemtonen dat dit verzet tegen de oorlog globaal gezien verre van een consequent revolutionair karakter had. Na het aanhoren van de standpunten van de Franse afgevaardigden op de conferentie van Zimmerwald spraken de leiders van de bolsjewieken van ‘de overgangssituatie’ in de Franse arbeidersbeweging.
In de tweede helft van 1915 sticht de rechtervleugel van de deelnemers aan de conferentie van Zimmerwald onder leiding van Merrheim en Loriot het Comité voor het herstel van de Internationale Betrekkingen, dat tot aan zijn opname in de PCF in 1921 een specifieke rol zal spelen in de pogingen de oppositie op pacifistische grondslagen te organiseren, met het oog op een heroprichting van de Socialistische Partij en de IIe Internationale
Vanaf 1916 beginnen de bolsjewistische leiders, Lenin op kop, tussen te komen bij de Franse verzetsleiders. In februari 1916 schrijft Lenin een Brief aan de Franse kameraden over ‘de taken van het verzet in Frankrijk’, waarin hij kritiek uit op de angst voor een scheuring binnen de Socialistische Partij en daar tegenover stelt dat het noodzakelijk is te breken met de sociaal-patriotten en de centristen, en de revolutie voor te bereiden met het oog op de instelling van de dictatuur van het proletariaat.
In november 1916 stuurt Lenin opnieuw een brief waarin hij schrijft dat Bourderon en Merrheim, die nog aan het hoofd staan van het Comité voor het herstel van de Internationale Betrekkingen, niet echt een scheuring willen met de sociaal-chauvinisten in de leiding van de Socialistische Partij, de CGT en de Internationale: ‘De scheuring binnen de arbeidersbeweging en binnen het socialisme is in heel de wereld een feit. De arbeidersklasse wordt geconfronteerd met twee tactieken en twee onverzoenlijke politieke beleidsvormen.’
Op het einde van 1916 verkeert de socialistische oppositie in crisis. Het Comité voor het herstel van de Internationale Betrekkingen splitst zich in twee fracties, een rechtse fractie die zich verzet tegen de scheuring en een linkse fractie onder leiding van Loriot. Deze brengt een bezoek aan Lenin in Zwitserland, die hem ervan overtuigt een juiste en doeltreffende strijd te voeren tegen het opportunisme en voor een consequente revolutionaire lijn tegen de oorlog.
In 1917 zorgen twee belangrijke stakingsbewegingen, de muiterijen in het leger en vooral de twee Russische revoluties die uiteindelijk uitlopen op de grote overwinning in oktober voor een grote ommekeer. Het verzet tegen de oorlog en tegen het sociaal-chauvinisme zal zich nog verder ontwikkelen maar het splitst zich in verscheidene stromingen, groepen en fracties die ofwel binnen de oude Socialistische Partij ageren of ermee breken. In maart 1917 stichten Paul Vaillant-Couturier en Henri Barbusse dan de ARAC (Association Révolutionnaire des Anciens Combattants – Revolutionaire Vereniging van Oud-strijders).
Deze ontwikkeling gaat verder tot op het einde van de oorlog en in de onmiddellijke na-oorlogse periode. Verschillende tijdschriften zien het daglicht: Revue Communiste van Charles Rappoport; La Vague van Pierre Brizon in januari 1918, dat een pacifistische en confusionistische ideologie aanhangt maar ook revolutionaire ideeën aan bod laat komen; het tijdschrift Clarté, in mei 1919 gelanceerd door Henri Barbusse en Paul Vaillant-Couturier, waarrond zich een aantal intellectuelen organiseren.
In mei 1919, onmiddellijk na het stichtingscongres van de Communistische Internationale, richt de linkse fractie binnen het Comité voor het herstel van de Internationale Betrekkingen, samen met elementen van La Vie Ouvrière en ARAC, het Comité van de Derde Internationale op met aan het hoofd Loriot en Souvarine. Ze geven een Bulletin Communiste uit en ijveren voor aansluiting bij de Communistische Internationale. Maar dit Comité blijft een zeer kleine organisatie zonder massakarakter. Er ontstaan ook andere groupuscules zoals de Communistische Federatie van Sovjets of de kortstondige Communistische Partij, die in december 1919 wordt opgericht onder leiding van Raymond Péricat.
Van dan af neemt de druk van de bolsjewistische leiders en van Lenin in het bijzonder, en daarna van de Communistische Internationale toe, meer bepaald over volgende thema’s:
de volledige scheuring met de rechtse, opportunistische en sociaal-patriottische leiders;
de vereniging van alle versnipperde communistische krachten in één enkele nationale partij;
de voorbereiding van de revolutie, niet in woorden maar in daden, met de daartoe benodigde politieke middelen.
Op 28 oktober 1919 richt Lenin zich persoonlijk tot Loriot met de vraag de ‘geraffineerde opportunisten van het slag van Longuet’ te ontmaskeren.
In december 1919 lanceert de Communistische Internationale een oproep naar de Franse werkers om zich aaneen te sluiten en de onwaardige leiders, die agenten zijn van de burgerij, uit hun rangen te verwijderen. Op het Congres van de Socialistische Partij van 17 januari 1920 in Straatsburg hernieuwt het Uitvoerend Comité van de Communistische Internationale deze maatregel op een meer officiële manier en roept alle Franse communisten op te breken met de IIe Internationale, zich te verenigen in één organisatie en de oorlog te verklaren aan alle verraders van het proletariaat.
Op 7 februari 1920 roept het bureau van de Communistische Internationale voor West-Europa op tot ‘de eenmaking van alle communistische groepen in de verschillende landen’ in één enkele communistische partij op de beperkte basis van volgende principes:
de compromisloze klassenoorlog van de werkers en de directe actie voor de verovering van de macht;
het perspectief van de dictatuur van het proletariaat;
de oprichting van sovjets als vorm van de proletarische democratie.
Maar er is nog niets geregeld en hoewel met overweldigende meerderheid gestemd wordt voor uittreding uit de IIe Internationale, zet het verdere verloop van het congres in Straatsburg Lenin andermaal aan tot scherpe kritieken op het samen bestaan van opportunisten en revolutionairen in één partij. Hij vraagt de Franse communisten hun arbeiders een klaar programma voor te stellen, de propaganda toe te vertrouwen aan ervaren kameraden, die trouw zijn aan de avant-garde van het proletariaat en gevormd zijn door de marxistische theorie, van onder hen het democratisch centralisme toe te passen en actief propaganda te voeren onder de koloniale bevolking.
Dat is de aanzet tot de 21 voorwaarden voor toetreding tot de Communistische Internationale, aangenomen op het 2e Congres van juli 1920. Zij zullen een machtig instrument worden voor de opbouw van authentieke communistische partijen.
Tijdens heel deze periode en tot aan het Congres van december 1920 in Tours blijkt het noodzakelijk dat de Communistische Internationale en haar leiders steeds frequenter en nadrukkelijker aandringen op de organisatie in één partij van alle versnipperde elementen en groeperingen die voorstander zijn van deze nieuwe Internationale.
In De Linkse Stroming, een kinderziekte van het communisme waarschuwde Lenin tegen de vorming van kleine kringen die ‘niet de partij van de massa’s zijn maar een groep samengesteld uit intellectuelen en een klein aantal arbeiders die de ergste afwijkingen van de intellectuelen weerspiegelen’.
In juni 1920 schrijft de Communistische Internationale: ‘In Frankrijk moeten we tot elke prijs bij de revolutionaire syndicalisten het pessimisme te boven komen… dat zich verzet tegen het idee zelf van de stichting van een communistische partij. In Frankrijk is het ogenblik gekomen om koste wat het kost een eengemaakte communistische partij op te richten. En natuurlijk moeten we beginnen met de organisatie van een homogene partij van waarachtige kameraden die vervolgens nog niet volledig communistische elementen kunnen aantrekken.’ Het 2e Congres van de Communistische Internationale in juli 1920 verklaart dat ‘de belangrijkste taak er momenteel in bestaat alle versnipperde communistische krachten te groeperen en in elk land een eengemaakte communistische partij op te richten.’
Twee Franse afgevaardigden, Frossard en Marcel Cachin, voorstanders van de Communistische Internationale maar nog altijd lid van de Socialistische Partij, nemen als raadgever deel aan het 2e Congres en ontmoeten bij deze gelegenheid Lenin. In een boodschap van 26 juli 1920 kritiseert het uitvoerend Comité van de Communistische Internationale nog fel de politiek van de Socialistische Partij onder leiding van de centristen, die het spel spelen van de burgerij en in geen geval tot de Communistische Internationale kunnen toegelaten worden.
*
En zo komen we bij het Congres van Tours, de breuk met de reformisten, de toetreding van de meerderheid tot de Communistische Internationale, de aanvaarding van de 21 voorwaarden en de stichting van wat op het volgende congres de eengemaakte Communistische Partij van Frankrijk zal worden. We kunnen niet ontkennen dat dit resultaat mede te danken is aan de allesbeslissende invloed van de Communistische Internationale, die trouwens op het congres zelf voelbaar is door het telegram van Zinoviev en de briljante tussenkomst van Clara Zetkin. Beiden stellen de congresleden duidelijk voor de keuze en wijzen hen op hun verantwoordelijkheid.
Maar het is nog lang niet gedaan. Het zal nog vele jaren duren en er zullen nog talrijke tussenkomsten van de Communistische Internationale nodig zijn vóór de Communistische Partij (de Franse afdeling van de Communistische Internationale) een echte communistische partij wordt. Een verklaring voor deze bijzondere situatie ligt in het feit dat de PCF een van de weinige partijen is die tot stand gekomen is door een meerderheidsstem binnen een grote socialistische partij, met langdurige naweeën en daaruit voortvloeiend gedurende lange tijd moeilijke betrekkingen met de Communistische Internationale.
Het 2e en het 3e Congres van respectievelijk 1920 en 1921 spelen een fundamentele rol in de correcte bepaling van de taken van de communistische partijen en het vastleggen van hun rol in de naoorlogse situatie, het op punt stellen van de nieuwe structuren, het programma, de organisatieprincipes, de propaganda, de tactiek op de verschillende gebieden (syndicaal, parlementair, electoraal) voor de verovering van de massa’s met het oog op de revolutie. Ze leggen ook de nadruk op het belang van het werk naar de koloniale volkeren toe en op de noodzaak legaal en illegaal werk met elkaar te verbinden.
Om het hoofd te bieden aan de scheuringactiviteiten binnen de PCF en haar leiding beslist het 3e Congres van de Communistische Internationale van juni 1921 een soepel en progressief beleid toe te passen om deze partij weer in goede banen te leiden. In haar Stellingen over de tactiek wijdt ze een volledig deel aan de PCF. Het Congres roept de partij op in haar eigen schoot en vooral in de leiding radicaler komaf te maken met de overblijfselen van het nationalistische pacifisme en het parlementaire reformisme, categorisch te breken met ‘de leugenachtige en weerzinwekkende vormen’ van het parlementarisme, energieker de praktische agitatie onder de massa’s te ontwikkelen en uit alle gebeurtenissen fundamenteel revolutionaire conclusies te trekken. Het Congres roept op om in de vakbonden de reformistische en anarcho-syndicalistische tendensen te kritiseren, het syndicale neutralisme te bekampen en de fusie tussen het revolutionaire syndicalisme en de communistische organisatie te bevorderen.
Op het 1e Congres van de PCF van december 1921 in Marseille verkeert de partij in een crisissituatie. Ze is verdeeld in vijf tendensen en dat schaadt de politieke activiteit van de partij onder de massa’s. De crisis wordt nog verscherpt door de ruime oppositie tegen of de foute interpretatie van de tactiek van het eenheidsfront die de Communistische Internationale kortgeleden heeft uitgestippeld. De opportunistische stromingen zien er een mogelijkheid in om terug te keren naar de oude, principeloze electorale coalities, terwijl een sterke sektaire meerderheidsstroming deze tactiek verwerpt en het directiecomité van de partij er zich unaniem tegen uitspreekt. De Communistische Internationale vaardigt een speciale gezant af, Jules Humbert-Droz, en roept in februari-maart 1922 een conferentie samen in Moskou om de crisis in de PCF te onderzoeken.
De moeilijkheden van de PCF om zich om te vormen tot een echte communistische partij trekken de aandacht van Lenin. In zijn artikel Notes d'un Publiciste van februari 1922 schrijft hij: ‘De omvorming van een Europese partij van het oude, parlementaire, reformistische type, die nauwelijks revolutionair getint is, tot een partij van het nieuwe, echt revolutionaire en echt communistische type is een bijzonder lastige zaak. Het voorbeeld van Frankrijk toont ongetwijfeld het duidelijkst deze moeilijkheid aan.’
Gedurende heel het jaar 1922 blijft het Uitvoerend Comité van de Communistische Internationale zich met de zaak bezighouden. In juni wordt de ‘Franse kwestie’ inzake de organisatieproblemen op de agenda gezet van het Uitgebreid Uitvoerend Comité van de Communistische Internationale en wordt de structuur van de partij en de toepassing van het Eenheidsfront in Frankrijk onderzocht. Het Comité stelt voor het centrum en de linkervleugel van de partij te verenigen om de rechtervleugel te isoleren. In juli verklaart Zinoviev, de toenmalige voorzitter van de Communistische Internationale, dat ‘de Franse kwestie op dit ogenblik de belangrijkste kwestie is voor de Internationale Communistische Beweging’.
In oktober stuurt de Communistische Internationale Manouilsky naar het 2e Congres van de PCF in Parijs. Zijn opdracht is steun te verlenen aan de strijd in de partij tegen het anarcho-syndicalisme en het kleinburgerlijke pacifisme en het probleem van de discipline en van de samenstelling van de leidende organen op te lossen. De Communistische Internationale aarzelt niet om rechtstreeks tussen te komen om de elementen die zich tegen haar politiek kanten, uit te sluiten.
In november ontmoet Lenin persoonlijk Pierre Sémard en Gaston Monmousseau om hen ervan te overtuigen het neutrale syndicalisme te bekampen.
Het 4e Wereldcongres van de Communistische Internationale van november 1922 zal een beslissende rol spelen in het herstel van de PCF. Speciaal voor het congres wordt een Franse Commissie gevormd. Deze stelt vast dat de totstandkoming van een echte communistische partij in Frankrijk extreem traag vordert en dat het veel moeilijker is dan men had voorzien. De belangrijkste klachten zijn:
de niet correcte toepassing van de tactiek van het eenheidsfront;
de slechte stakingstactiek, waarbij meer gebabbeld wordt dan dat er massa-acties worden georganiseerd;
de afwezigheid van een echt communistische pers vermits L’Humanité zijn rol op dat vlak niet speelt;
de aanvaarding van de overleving van de sociaal-democratische wortels en van het centrisme binnen de leiding.
Het Congres spoort de PCF aan zonder reserves het recht van de gekoloniseerde landen op autonomie of onafhankelijkheid te verdedigen, met alle kracht te strijden tegen het imperialisme van de eigen burgerij en tegen het Verdrag van Versailles en te breken met de vrijmetselarij. Het kritiseert de sociale samenstelling van de partij, stelt vast dat er veel authentieke communisten te vinden zijn buiten de partij, namelijk onder de revolutionaire syndicalisten en dat ‘ het onze taak is ze naar ons toe te trekken’.
Het Congres neemt een Resolutie over de Franse kwestie en een Werk- en Actieprogramma van de Franse Communistische Partij aan. Het verplicht het Uitvoerend Comité van de Communistische Internationale met volle aandacht het interne leven van de PCF op te volgen en het bekomt een compromisbesluit tussen de linkse stromingen en het centrum om in een eerste periode de rechtervleugel binnen het directiecomité van de partij te isoleren, de partij te zuiveren en de toepassing van het democratisch centralisme op te leggen.
De tussenkomsten van de Communistische Internationale zetten de PCF terug op het goede spoor. Het 5e Wereldcongres van de Communistische Internationale van juni-juli 1924 stelt vast dat de PCF met de hulp van het Uitvoerend Comité van de Communistische Internationale haar opportunistische en kleinburgerlijke afwijkingen is te bovengekomen, hoewel er nog heel wat zwakheden en onvolkomenheden overblijven. Het 5e Congres spant zich in het herstel waarmee het voorgaande congres begonnen is, verder te zetten, namelijk op het vlak van de bolsjewisering van de partij, dit wil zeggen de totale heroprichting van haar structuren en organisatievormen om er een revolutionaire massapartij van te maken. Deze organisatiekwestie wint nog aan belang nadat het 5e Congres de conclusie van het rapport van het Uitvoerend Comité aanneemt die zegt dat het er nu op aankomt ‘te werken aan de oprichting van de afdelingen van de Communistische Internationale in één en dezelfde wereldpartij’. Tot slot herinnert het Congres nogmaals aan het verplichtende karakter van de 8e voorwaarde over de onverzoenlijke strijd tegen het Franse kolonialisme en de actieve steun aan de ontvoogdingsstrijd van de gekoloniseerde volkeren.
De Communistische Internationale blijft de volgende jaren advies en hulp verlenen en op de 6e uitgebreide vergadering van het Uitvoerend Comité van de Communistische Internationale van februari 1926 zullen de problemen van de activiteit van de PCF, meer bepaald de foute toepassing van de eenheidsfronttactiek, opnieuw onderzocht worden. De resolutie van deze vergadering zal dienen als basis voor het 5e Congres van de PCF in Rijsel.
In november 1926 kritiseert het 7e Uitgebreid Uitvoerend Comité van de Communistische Internationale de PCF nog voor haar passieve houding tegenover de massabeweging, voor het feit dat ze in een situatie van crisis en felle sociale onrust niet in staat is een politieke massastaking voor te bereiden. In 1927 waarschuwt de Communistische Internationale opnieuw voor het opportunistische gevaar met betrekking tot het eenheidsfront en op 2 april stuurt het presidium van de Communistische Internationale het Centraal Comité van de PCF een lange brief met argumenten tegen deze opportunistische afwijking. In september 1927 volgt opnieuw een brief die in het bijzonder de fouten van de PCF aan de kaak stelt in de strijd tegen de repressie waarvan de partij in die periode het slachtoffer is.
Het 9e Uitvoerend Comité van de Communistische Internationale van februari 1928 neemt een resolutie aan over de Franse kwestie waarin het zijn goedkeuring hecht aan de verkiezingstactiek die de PCF van dan af op aanbeveling van de Internationale in de praktijk brengt en waarin het vaststelt dat deze partij belangrijke vooruitgang heeft geboekt in de vorming van een echte bolsjewistische partij. Terzelfder tijd kritiseren ze de nog altijd aanwezige rechts-opportunistische en links-opportunistische stromingen. Het 6e Congres van de Communistische Internationale van augustus 1928 somt andermaal een lijst op van verkeerde rechtse of linkse opvattingen en eist van de PCF een onverzoenlijke strijd tegen deze twee stromingen Op het einde van het Congres neemt het presidium van de Communistische Internationale nogmaals een Resolutie omtrent de PCF aan waarin ze de partij waarschuwt tegen het parlementaire cretinisme dat haar revolutionaire klassenbewustzijn van het oorlogsgevaar verzwakt en haar herleidt tot een aanhangsel van de ‘linkse partijen’. Ook moet de partij strijd voeren tegen de gauchistische en sektaire tendensen die gevoed worden door de brutale repressie van de regering tegen de communisten en die dreigen haar af te snijden van haar arbeidersbasis.
Tot aan haar ontbinding heeft de Communistische Internationale grote aandacht besteed aan de politiek van de PCF, net als aan de andere communistische partijen in de wereld. Maar deze keer is de PCF er onder de leiding van Maurice Thorez en de nieuwe ploeg in het begin van 1930 met de hulp van de Communistische Internationale in geslaagd een echt communistische partij te worden, ook al steken sporadisch de opportunistische tendensen nog de kop op. Een veertigtal jaar later zullen deze tendensen de partij meesleuren in nieuwe sociaal-democratische afwijkingen die zullen leiden naar de volledige omvorming. Maar dat is een ander verhaal…