Bijdrage tot het 15e Internationaal Communistisch Seminarie

Actuele en vroegere ervaringen van de internationale communistische beweging

Brussel, 2- 4 mei 2006

www.icsbrussels.org , ics[at]icsbrussels.org

 

Bijdragen en beperkingen van de Derde (Communistische) Internationale met betrekking tot het ontstaan van het communisme in Argentinië

Partij voor de Bevrijding van Argentinië

Sergio Ortiz, Secretaris-generaal

31 maart 2006

www.pl.org.ar en pl@pl.org.ar

 

1.- De stichting van de Partij

De Communistische Partij van Argentinië ontstond op 6 januari uit een afscheiding van de oude Socialistische Partij van Argentinië, die reeds bestond sinds 1896. De jongeren en andere militanten die braken met de reformistische en sociaal-democratische leiding van Juan B. Justo, noemden hun nieuwe partij de Internationale Socialistische Partij.

Interne oorzaken in ons land verhinderden de revolutionaire en marxistische impuls naar het communisme. Het eeuwfeest van de onafhankelijkheid in 1910 droeg nog de sporen van de afhankelijkheid van het Britse imperium en de honger die de volksmassa’s hadden geleden onder de oligarchische en frauduleuze regeringen van de ‘Generatie van de 80-ers’ (het presidentschap van B. Mitre, D. F. Sarmiento, N. Avellaneda, J. A. Roca, M. Juárez Celman enzovoort).

In 1918, op het ogenblik van de breuk binnen de Socialistische Partij, was de nationale burgerij al aan de macht. Zij regeerde door middel van de Unión Cívica Radical en haar president Hipólito Irigoyen, na de goedkeuring van de wet op het algemene stemrecht. Hoewel deze burgerlijke regering al een vooruitgang betekende in vergelijking met hun voorgangers uit de gegoede klasse, toch zorgde ze niet voor fundamentele verandering. Ook bleef ze de arbeidersbeweging onderdrukken. Zo maakte ze in 1919 op wreedaardige manier een einde aan de politieke staking van de metallurgisten van de Vasena-fabriek in de wijk Parque Patricios die het leven kostte aan een tiental arbeiders. Tijdens de begrafenis vielen er opnieuw doden. Deze gebeurtenissen en de beperkte opstand die er in de federale hoofdstad op volgde, staan in onze geschiedenis bekend als ‘Semana trágica’ (tragische week).

Het was dan ook niet toevallig dat in deze tijd van sociale en politieke conflicten het communisme de kop opstak, samen met de opkomst van de arbeidersstrijd in heel de wereld, die gemotiveerd was door de overwinning van de socialistische Oktoberrevolutie onder leiding van Lenin en Stalin. Vergeet niet dat de Derde (Communistische) Internationale in januari 1918 nog niet bestond. Ze werd pas in maart 1919 opgericht.

 

2.- De Communistische internationale zendt haar kaders uit

In 1921 nam de kersverse organisatie de naam Communistische Partij van Argentinië (CPA) aan, en beantwoordde daarmee aan een van de eenentwintig voorwaarden van de Communistische Internationale volgens het in juli 1920 door Lenin neergeschreven voorstel voor de partijen die wilden lid worden (zie Lenin, Omtrent de internationale communistische en arbeidersbeweging, blz. 289).

Uiteraard was de naam niet de belangrijkste vereiste. De nadruk lag op de aanvaarding van de noodzaak van het revolutionaire marxisme, de sovjets, het proletarisch internationalisme, het werk binnen de arbeidersbeweging en de vakbonden, de klassenstrijd hier en op het platteland, de agitprop binnen het leger met het oog op de opstand, de solidariteit met de Sovjet-Unie, het democratisch centralisme, de totale breuk met de sociaal-democratie en het centrisme enzovoort.

In die tijd besteedde de Communistische Internationale weinig aandacht aan de volkeren van Latijns-Amerika. Dat kwam doordat de revolutie in Rusland en ook in enkele landen van Europa, zoals Duitsland en Hongarije, naar een hoogtepunt evolueerde en de bewustwording van de massa’s van arbeiders, boeren en studenten in China gestaag toenam.

De eerste Latijns-Amerikaanse landen die enige hulp en politieke oriëntatie kregen waren Mexico, waar in 1919 Mijail Borodin rondwaardde (personage uit de roman La condition humaine van André Malraux over de opstand in Sjanghai) en Argentinië. Andere kaderleden van de Communistische Internationale gingen naar Brazilië en organiseerden er in 1934 en 1935, tijdens de regering van Getulio Vargas, samen met de lokale communisten de opstand van Luiz Carlos Prestes, met de bedoeling de regering omver te werpen.

Gedurende de jaren twintig kwamen verschillende leiders van de Communistische Internationale naar Buenos Aires meewerken aan de opbouw van de CPA, vooral op het vlak van de kadervorming en de marxistische opvoeding, twee agendapunten van de partij in die jaren.

Van het optreden van deze kaders zijn nog sporen terug te vinden in boeken en biografieën. Een van hen was Heifez Guralsky (alias el Rústico), een joodse bolsjewiek die eerst in de joodse Bond militeerde en naar Buenos Aires was gestuurd door de Internationale, die toen onder leiding stond van G. Zinoviev.

Een andere was de Duitse ex-afgevaardigde Artur Ernest Ewert, die meewerkte in Buenos Aires en in Montevideo (waarnaar het Zuid-Amerikaanse Bureau van de Communistische Internationale na de Argentijnse staatsgreep van september 1930 moest verhuizen). Ewert hielp mee aan de opstand van Prestes in Brazilië. Hij werd gevangen genomen en brutaal gefolterd en stierf uiteindelijk in de DDR.

De derde buitenlander was de Zwitser Jules Humbert Droz (alias Luis), die ervan beschuldigd werd een aanhanger van N. Boecharin te zijn. Sommige auteurs (Isidoro Gilbert, Het goud van Moskou) beweren dat de kaders die naar deze afgelegen gebieden werden gestuurd, door de Communistische Internationale gestraft waren wegens politieke meningsverschillen.

Het vierde internationalistische kader was de Duitser Jean Jolles (alias Alonso), die achteraf van trotskistische sympathieën werd beschuldigd.

Wij zijn van mening dat deze internationalisten een bijdrage leverden aan bovenstaande marxistische opvoeding en kadervorming. Niet dat Argentinië op dat vlak een echte woestenij was (Juan B. Justo, de stichter van de socialistische partij, had het eerste deel van Het Kapitaal van Karl Marx naar het Spaans vertaald).

Het is ook mogelijk dat deze kameraden, die geïnspireerd waren door de bolsjewistische revolutie, de nieuwe Communistische Partij van Argentinië geholpen en geleerd hebben hoe ze moest binnendringen in de arbeidersbeweging. Het is niet zo dat deze beweging dan pas zijn eerste stappen zette, want reeds in 1878 was de Drukkersvakbond ontstaan, die de eerste arbeidersstaking had gelanceerd. In 1890 werd voor het eerst de 1e mei gevierd als Internationale dag van de Arbeid in een Latijns-Amerikaans en een Caribisch land: in Argentinië en in Cuba.

Wanneer we het hebben over de stichters van de PCA mogen we zeker de Chileen Luis Emilio Recabarren niet vergeten, die enkele jaren later de Communistische Partij van Chili oprichtte.

 

3.- Het karakter van de revolutie

Natuurlijk bestond de hulp van de Communistische Internationale aan de Argentijnse afdeling niet alleen uit het directe werk van deze kaders in het Zuid-Amerikaanse Bureau.

Veel belangrijker was de positieve invloed van de eerste congressen van de Communistische Internationale in Moskou, waar de partijen debatteerden over thema’s met verstrekkende gevolgen. Sommige partijen waren in staat afgevaardigden te sturen om rechtstreeks aan deze ervaring deel te nemen. Ook de PCA vaardigde enkele leiders af, onder andere Rodolfo Ghioldi en José Penelón. Beiden werden aangesteld als lid van het Uitvoerend Bureau van de Communistische Internationale; Penelón, eerste secretaris-generaal van de PCA, werd in 1924 aangesteld.

Tijdens die eerste congressen van de Communistische Internationale werd het debat geopend over het karakter van de revolutie in de afhankelijke landen en de bijzonderheden van de revolutie in de imperialistische en Europese landen. Dit debat was al ingezet ten tijde van Lenin (zie zijn Verslag van het 2e Congres van de Communistische Internationale in augustus 1920, en zijn Verslag van de Commissie voor het nationale en koloniale vraagstuk – 26 juli 1920, over de voorwaarden waaronder de communisten de nationale beweging in de kolonies konden ondersteunen) en de Chinese revolutie tussen 1924 en 1927 stimuleerde het debat nog meer.

Als het voor de communistische militanten en de leiders van Argentinië al moeilijk was de specifieke tegenstellingen in de Argentijnse realiteit te ontdekken, dan moet het nog veel moeilijker geweest zijn voor de leden van de Communistische Internationale, die geen grondige kennis hadden van de maatschappij en vroeger, tijdens andere revolutionaire gebeurtenissen, hadden gemiliteerd en zich de kenmerken ervan eigengemaakt hadden.

Wij beschikken niet over documenten die concreet aantonen op welke manier de internationalisten Rústico, Luis, Alonso of Ewert bijgedragen hebben aan het debat over de toenmalige situatie van de Argentijnse maatschappij en de noodzaak van de revolutie om ze te veranderen. Wat we wel weten is dat de Communistische Internationale in 1928 debatteerde over het karakter van de revolutie in Latijns-Amerika ter voorbereiding van een Latijns-Amerikaanse conferentie.

Dat er vooruitgang geboekt werd in die richting wordt het best bewezen door wat zich voordeed op deze Communistische Conferentie van Latijns-Amerika van 1 tot 12 juni 1929 in Buenos Aires. Voor het eerst stelde de vergadering de noodzaak vast van een anti-imperialistische, antifeodale en tegen de grootgrondbezitters gerichte, democratische revolutie als weg naar het socialisme.

Naast Rodolfo Ghioldi, Luis Sommi en Victorio Codovilla – leiders van de PCA – nam ook de Peruviaanse amauta José Carlos Mariátegui aan deze conferentie deel. Deze communistische leider uit Peru kwam tot de juiste conclusie dat ‘het marxisme geen kopie of imitatie mag zijn, maar een heldhaftige schepping’.

 

4.- De fouten van de PCA

Dat de PCA toen de Latijns-Amerikaanse revolutie karakteriseerde als anti-imperialistisch en antifeodaal en gericht op het socialisme, met andere woorden dat de revolutie vóór de socialistische fase verschillende etappes moest doorlopen, betekende een grote vooruitgang en de verwerping van de trotskistische benadering. Deze conferentie en deze collectieve nieuwe kennis markeerden het begin van een voor het Argentijnse communisme gunstige periode waardoor het zich kon versterken in de arbeidersstrijd, in de vakbondswerking, in de beweging voor de democratische vrijheden, in de steuncampagnes voor de Oktoberrevolutie en daarna in de solidariteit met de Spaanse Republiek.

Zulk een karakterisering impliceerde ook dat de tactiek van ‘klasse tegen klasse’ moest aangepast worden. Deze vroegere oriëntatie kwam van de Communistische Internationale in de jaren twintig en was toen noodzakelijk om het hoofd te kunnen bieden aan de sociaal-democraten en sociaal-fascisten. Dezen hadden in Duitsland samengespannen met de moordenaars van Rosa Luxemburg en Karl Liebknecht en hadden niets gedaan om de slachting van de arbeiders tijdens de Eerste Wereldoorlog te verhinderen.

Gelukkig was deze theorie van ‘klasse tegen klasse’ al in 1929 en in het begin van de jaren dertig in onbruik geraakt en groeide binnen de Communistische Internationale het idee van een Antifascistisch Eenheidsfront. Toen Hitler in 1933 Rijkskanselier werd nog voor Benito Mussolini in Italië aan de macht kwam, werkten de communisten van heel de wereld samen aan de opbouw van een breed antifascistisch front. In zijn verslag ‘Voor een antifascistisch eenheidsfront’. van het 8e Congres van de Communistische Internationale in augustus 1935 gaat Jorge Dimitrov daarop in.

Zoals gezegd ging het communisme sinds de Communistische Conferentie van Latijns-Amerika van 1929 in de arbeidersbeweging en in andere frontbewegingen met grote stappen vooruit. In 1934 werd in Moskou een tweede Communistische Conferentie van Latijns-Amerika georganiseerd met het oog op de gewapende strijd van Prestes in Brazilië.

Dit volgde op een initiële etappe waarin de PCA, die geen adequate oplossing had geboden aan het anti-imperialistische facet van de revolutie, ernstige politieke fouten had gemaakt. Zo bestempelde ze de burgerlijke regering van Irigoyen als fascistisch en beschouwde haar als de belangrijkste vijand. In feite kwam in 1930 aan zijn regering een einde door een staatsgreep, de eerste van een hele golf in het moderne Argentinië (er waren militaire staatsgrepen in 1930, 1943, 1955, 1966 en1976).

De staatsgreep van 1930 ‘rook naar petroleum’, zeiden historici en analisten, want ze was geïnspireerd door de oliemultinationals die het niet eens waren met het in 1927 door de regering van Irigoyen opgerichte staatsbedrijf YPF (Yacimientos Petrolíferos Fiscales).

Ter verontschuldiging van de communisten kunnen we hier wel vermelden dat Irigoyen en zijn partij, de Unión Cívica Radical (UCR), uitermate repressief optraden tegen de arbeidersbeweging. Tijdens zijn eerste regeringsmandaat gaf hij de politie de opdracht de arbeiders van Vasena te vermoorden en twee jaar later, in 1921, na een arbeidersopstand in de provincie Santa Cruz, beval hij het leger de landarbeiders te fusilleren. Meer dan duizend van hen werden op bevel van kolonel Héctor Benigno Varela vermoord. Deze slachtpartij kreeg de naam ‘De rebellen van Patagonië’ (Osvaldo Bayer, Los vengadores de la Patagonia trágica).

De slachtpartij, op aanstoken van de Sociedad Rural Argentina en de Britse grootgrondbezitters uit het zuiden, kreeg de goedkeuring van Irigoyen. Iedereen weet dat de burgerij en haar partijen aan de macht ook als repressiekrachten optreden in de hoop dat het imperialisme en de oligarchie hun de macht niet zullen ontnemen. Nadat ze in 1930 het vuile werk hadden opgeknapt, boorde de staatsgreep van de generaals Uriburu en Justo deze illusie van de UCR de grond in.

 

5.- De successen en het uiteindelijke verval

De PCA beleefde haar glorietijd tussen 1936 en 1946. Ze speelde een nadrukkelijke rol in de strijd van de arbeidersklasse en slaagde erin 19 nationale vakbonden en federaties op te richten en te leiden, onder andere in de bouwsector, de grafische sector, de hout- en de vleessector, de spoorwegen enzovoort.

Vanaf 1929 werd het wereldkapitalisme getroffen door een crisis die uiteindelijk beslecht werd in de Tweede Wereldoorlog. Ook dit proces had invloed op Argentinië. Aan de welvaart van de ‘Centenario’, van de ‘graanschuur van de wereld’ met zijn uitvoer van landbouw- en veeteeltproducten kwam een einde met de crisis in de wereldhandel, die ontketend werd door de ineenstorting van de Beurs van Wall Street.

Vandaar de opleving van het verzet en de groeiende rol hierin van de PCA. Van 1930 tot 1940 kende Argentinië een militaire dictatuur die onderworpen was aan het Britse en Amerikaanse imperialisme en de belangen van de nationale oligarchie verdedigde. Deze periode kreeg de naam ‘het decennium van de schande’. En het communisme bleef groeien. In 1936 bijvoorbeeld leidden de communisten een buitengewone staking van bouwvakkers, die uitmondde in een algemene staking tegen de regering van generaal Justo. In de hoofdstad van het land werden barricades opgeworpen en commissariaten aangevallen.

Deze strijd had een nationale en internationale politieke inhoud. Zo was er bijvoorbeeld de door de PCA geleide solidariteitscampagne met de Spaanse Republiek. Verscheidene militanten en leiders gingen vechten in de Internationale Brigades. De partij aanvaardde de oriëntaties van de Communistische Internationale die deze concrete vorm van solidariteit organiseerde. Codovilla, Juan José Real, Fanny Edelman en andere leiders van de PCA oefenden tijdens de burgeroorlog in Spanje verschillende functies uit. Rodolfo Ghioldi verbleef in 1935 samen met Prestes in Brazilië en zat verscheidene jaren in de gevangenis.

Jammer genoeg slaagde de PCA er in deze waardevolle periode niet in het probleem van de strategie en de tactiek op te lossen of een concreet programma op te stellen voor de revolutie in Argentinië. Ze leed ook aan syndicalistische beperkingen of voerde een louter syndicale strijd, klassenbewust, maar beperkt in politiek.

Toen de partij dan na het ‘decennium van de schande’ en de staatsgreep van juni 1943 politiek moest tussenkomen, maakte ze nog grotere fouten dan voorheen. Ze had Irigoyen al uitgemaakt voor ‘fascist’ en deed nu hetzelfde met het in 1945 opkomende peronisme. Codovilla en Ghioldi kenmerkten de volksmobilisatie van 17 oktober 1945, die het startschot was voor het peronisme, als de ‘dag van het lumpenproletariaat en de flikken’ en de door Peron gestichte beweging als ‘nazi-peronisme’.

En daar bleef het niet bij. Voor de verkiezingen van februari 1946 sloot de PCA aan bij de partijen van de oligarchie, zoals de Democratische Partij, of van de meest conservatieve burgerij, zoals de UCR, voor de vorming van de ‘Democratische Unie’. De Amerikaanse ambassadeur Spruille Braden omarmde dit initiatief om het hoofd te kunnen te bieden aan het peronisme dat dank zij de steun van een groot deel van de arbeidersbeweging en de meest achteruitgestelde sectoren van de maatschappij (‘de armoelijers’) als overwinnaar uit de verkiezingen kwam.

De leiding van de PCA kan de schuld hiervoor niet schuiven op de Communistische Internationale want die werd in 1942 ten gevolge van de onderhandelingen en de toegevingen aan de Britse en Amerikaanse bondgenoten door Stalin en de CPSU ontbonden in ruil voor de opening van het op de lange baan geschoven ‘tweede front’ in Frankrijk.

Op die manier ontstond er een kloof tussen het marxisme-leninisme en de Argentijnse arbeidersklasse die verschillende vormen aannam en het bleef een serieus probleem dat van onze kant om een oplossing vroeg. In feite hadden de zware fouten in de klassenanalyse van het peronisme te maken met de zuiver theoretische en liberale vorming van de leiders van de PCA. Met haar visie op de geschiedenis liep ze in het kielzog van Bartolomé Mitre en Domingo Sarmiento, pleitte ze voor de vrijhandel en tegen het protectionisme. In die zin was haar visie niets anders dan een voortzetting van de historische visie van Juan B. Justo en de Socialistische Partij..

Vanuit deze verkeerde optiek was alles dat een nationalistisch trekje had zoals het yrigoyenisme en het peronisme, automatisch ‘fascistisch’ en tegengesteld aan de ‘bevrijdende traditie van mei’. De PCA paste dit niet alleen toe op vooraanstaande figuren zoals Mariano Moreno, Manuel Belgrano en José de San Martín maar ook op Bernardino Rivadavia, de president die van de Britse bank Baring Brothers een monsterlening verkreeg tegen woekerrente.

Een tweede funeste fout van de leiding van de PCA was dat ze internationalisme verwarde met slaafse navolging van de USSR. Alles wat Moskou zei moest automatisch als waarheid aanvaard worden, zonder discussie. Maar zo vorm je een partij zonder eigen of kritische standpunten. Zolang Stalin aan het hoofd stond, viel het allemaal nogal mee, maar Pero Codovilla en Ghioldi zeiden ook ja aan N. Kroetsjov en L. Brezjnev, die het marxisme ‘reviseerden’ en de beste leninistische tradities over boord gooiden.

Op die manier werd het terrein bereid voor het complete verval van de PCA in de jaren 50. Dat proces werd nog versneld door de toepassing van al een rechts-opportunistische lijn in de jaren 40 de PCA overgenomen had van Earl Browder, de secretaris-generaal van de Communistische Partij van de VS. Zijn revisionistische lijn wilde de alliantie van de communisten met de Noord-Amerikaanse autoriteiten – die de Sovjet-Unie tijdens de oorlog correct had toegepast – ook na de oorlog verder zetten. Browder was van mening dat de Verenigde Staten in de naoorlogse periode borg zouden staan voor de ontwikkeling en het welzijn van de volkeren. En dat verklaarde ook Codovilla in 1946 in een reportage in het Chileense tijdschrift Ercilla.

Het klassensyndicalisme en de Rode Hulp en de steun aan het heroïsche Madrid werden al snel ingeruild voor een revisionisme dat vertrouwen stelde in de Verenigde Staten en het hoofd moest bieden aan de tweede nationaal-burgerlijke beweging: het peronisme. Stalin van zijn kant maakte verschillende positieve gebaren naar Peron, en kort voor zijn dood ontving hij nog de Argentijnse ambassadeur Leopoldo Bravo in Moskou. Hij stelde hem voor dat Argentinië deel zou uitmaken van een verenigd Latijns-Amerika dat zich verzette tegen het Amerikaanse imperialisme.

De tragedie van het verlies van de marxistische klassenafdeling in ons land bleek duidelijk in 1995 toen de leiding van de PCA in plaats van te rectificeren, dienst deed als steunpunt en burgerlijk commando voor de staatsgreep in datzelfde jaar. De ‘Revolución Libertadora’ (Bevrijdende Revolutie), geïnspireerd door de oligarchie en het imperialisme, maakte komaf met het peronisme. Dat betekende het einde voor de PCA.

Tien jaar lang, van 1955 tot1965, moest de arbeidersklasse het doen zonder klassenpartij, en er kwam pas een ommekeer in april 1965, toen een groep intellectuelen van de socialistische jeugd de Vanguardia Comunista (Communistische Avant-garde) oprichtten, de huidige Partij voor de Bevrijding. Opnieuw moesten we een generale staf opbouwen voor de arbeidersklasse en daar zijn we nog altijd mee bezig. Onze pogingen werden in 1976 bloedig onderdrukt door de militaire dictatuur, de volkerenmoord en de verdwijning van 30.000 militanten, waaronder veel van onze partij, o.a. onze secretaris-generaal Roberto Cristina (zie Américo Soto: Vidas y luchas de Vanguardia Comunista -Leven en werk van Vanguardia Comunista).

6.- CONCLUSIE OVER DE INTERNATIONALE

Op basis van deze concrete ervaring in Argentinië maakt de Partij voor de Bevrijding een gunstige historische beoordeling van de Communistische Internationale en van haar belang voor de nieuwe communistische partijen in de landen van de Derde Wereld. Natuurlijk kan er geen sprake zijn van dit nu gewoon te imiteren, maar we moeten zoeken naar een proletarisch internationalisme met flexibelere politieke en organische vormen, met onoverdraagbare beslissingsmacht van de nationale afdelingen, die de waarheid moeten zoeken in hun eigen realiteit. De communisten moeten met de zusterpartijen overleg plegen, leren uit de positieve ervaringen en een synthese maken van hun ervaringen in de toepassing van het marxisme-leninisme op de concrete situatie in hun respectievelijke landen.

Bovendien is het belangrijk dat we deze historische ervaring politieke inhoud geven. Wij zijn van mening dat de afvaardigingen van de communistische partijen op dit seminarie zich dringend moeten verenigen om zo snel mogelijk een Conferentie van marxist-leninistische partijen te organiseren, of een Coördinatie of een Blok, met gemeenschappelijke werkplannen en politieke campagnes. Het belangrijkste tactische agendapunt van deze Conferentie moet de vorming zijn van een politiek anti-imperialistisch front met als hoeksteen de internationale arbeidersklasse, de regeringen van Cuba en Venezuela, de revolutionaire bewegingen in Colombia, het Iraakse verzet, de vredesbewegingen in Europa en in de VS, de volkeren van Afrika en Azië enzovoort.

Dit front moet de verdediging op zich nemen van het loon, het werk, de verworvenheden op het vlak van de arbeidsvoorwaarden, de democratische vrijheden, de natuurlijke bronnen, de nationale soevereiniteit en de vrede. Dit front moet het hoofd bieden aan het imperialisme, in het bijzonder de Amerikaanse supermacht, zijn neonazistische politiek van ‘preventieve oorlog’ met het oog op de wereldheerschappij en zijn plundering van de volkeren.