Bijdrage
tot het Internationaal Communistisch Seminarie
"Economische crisissen en de mogelijkheid van een grote wereldcrisis"
Brussel,
2-4 mei 2002
www.icsbrussels.org , ics[at]icsbrussels.org
José
Maria Sison
Stichtend voorzitter van de Communistische Partij van de Filippijnen
Analyse van de Zuidoost-Aziatische crisis van 1997
Met diepe gevoelens van kameraadschap en revolutionaire solidariteit begroet
ik de Partij van de Arbeid van België en alle andere afgevaardigden naar het
11e Seminarie.
Ik ben de Partij van de Arbeid van België dankbaar voor hun uitnodiging te spreken
over de crisis van 1997 in Zuidoost-Azië in samenhang met de algemene kapitalistische
crisis.
Laat het van meet af aan duidelijk zijn, dat voor mij zowel het imperialisme
als overrijp en stervend kapitalisme als de Zuidoost-Aziatische economieën,
die onderontwikkelde en neokoloniale aanhangsels van het imperialisme zijn,
in chronische crisis verkeren.
Daarom refereer ik, als ik spreek over de crisis van 1997 in Zuidoost-Azië ,
aan een nieuw dieptepunt, aan een nieuwe verheviging van die chronische crisis.
Ik wil voorstellen om de achtergronden, de aard en de richting van de crisis
en de gevolgen daarvan in het heden aan de orde te stellen.
1. De achtergrond van de crisis
Vanaf de Grote Depressie in de jaren 1930 gingen de monopoliebourgeoisie en
hun leidende politici over op de keynesiaanse politiek van fiscale maatregelen
voor de uitvoering van openbare werken, verhoging van de koopkracht van de bevolking
en opleving van de consumptieve vraag.
De keynesiaanse politiek stond later in breder verband synoniem voor staatsinterventie
ter aanwending van overheidsgeld en voor het scheppen van banen om stagnatie
te overwinnen, oorlogsproductie te sturen, de Koude Oorlog te voeren, de economieën
van Duitsland en Japan te herbouwen, de uitdaging van het socialisme te beantwoorden,
en 'ontwikkelingshulp' te geven aan achtergebleven landen.
In de jaren 1970 liepen de politici van de VS stuk op het verschijnsel stagflatie.
Stagnatie door pogingen ter beteugeling van de inflatie en inflatie door pogingen
ter beteugeling van de stagnatie. Na het loslaten van de gouden standaard in
1970 en pochend dat de hoge productiecapaciteit van de VS garant stond voor
de waarde van de dollar, herkenden de beleidsmakers daar de recessie van 1974-75
niet als overproductiecrisis ten gevolge van de volledige reconstructie van
Duitsland en Japan en de toenemende economische concurrentie onder de imperialisten.
Zij zagen over het hoofd dat, door het doen van economische concessies en marktpolitieke
tegemoetkomingen aan hun bondgenoten in ruil voor steun aan de anticommunistische
kruistocht, hun eigen productiecapaciteit voor handelswaren was ondermijnd.
Zij hadden evenmin oog voor de immer stijgende kosten voor wapenproductie en
andere militaire uitgaven, inclusief de buitenlandse bases en de agressieoorlogen
waardoor de Amerikaanse economie zwaar met inflatie werd bedreigd.
Het excuus voor de overstap van een keynesiaanse naar een neoliberale politiek
kwam van de kant van de tegen de arbeiders en gewone mensen gerichte zijde die
de stijgende lonen en overheidsuitgaven aanwees als oorzaken voor de stagflatie.
Door de arbeidersklasse te beledigen en als parasitair af te schilderen en de
maatschappelijke pretenties van de imperialistische staat zwaar te overdrijven,
probeerden de politici van de VS meer middelen te verschaffen aan de monopolie
bourgeoisie en spraken zij hun voorkeur uit voor monetaire in plaats van fiscale
maatregelen om het evenwicht in de economie te herstellen.
De Federal Reserve Board, onder voorzitterschap van Volcker, baande de weg voor
de officiële aanvaarding van de neoliberale politiek onder Reagan door de rente
te verhogen tot 19% in de periode van 1979-82. Hierdoor werden buitenlandse
investeringen in Amerikaanse aandelen aangetrokken wat een kapitaalsvlucht van
Zuid-Amerika en andere schuldenlanden naar de imperialistische landen veroorzaakte,
vooral naar de VS.
De regering Reagan gebruikte buitenlands geld om de hoge consumptieve bestedingen
en de versnelde productie van dure high-tech bewapening te financieren en de
daaruit voortvloeiende tekorten op handelsbalans en de begroting te maskeren.
Daardoor werd de VS in 1985 een netto schuldenland en in 1989 de grootste schuldenaar
ter wereld.
Bij haar overgang van de keynesiaanse naar de neoliberale politiek, dwong de
VS multilaterale organen als IMF, Wereldbank en GATT-WTO ook de neoliberale
lijn te volgen. Deze instellingen verklaarden dat de officiële ontwikkelingskredieten
van individuele imperialistische landen en leningen van multilaterale organen
verlaagd moesten worden en dat de ontwikkelingslanden zelf dienden te pompen
of te verzuipen onder de voorwaarden van de globalisatie van de 'vrije markt'.
Tegen die tijd hadden imperialistische crediteuren de derde wereld al sedert
lang overladen met schulden voor de aanleg van hoofdzakelijk infrastructurele
werken en ter verhoging van de productie van grondstoffen voor de export. De
tijd was rijp voor de multilaterale firma's en banken om natuurlijke bronnen
en bedrijven over te nemen van de zwaar verschuldigde landen die verkeerden
in een diepe overproductiecrisis van grondstoffen.
Het IMF kwam met structurele aanpassingsprogramma's gepaard aan strenge maatregelen-conversie
van buitenlandse schulden in overname van ondernemingen of in aanspraken op
natuurlijke hulpbronnen van de schuldenlanden, vrije beweging van kapitaal,
liberalisatie van handel en investeringen, privatisering en deregulering, conversie
van onbetaalde private schulden in openbare schulden en voorrang aan de betaling
van kosten op leningen door beslaglegging op de begrotingen van de afhankelijke
landen.
De beleidswisseling betekende de overgang van een gruwelijke vorm van neokolonialisme
naar een nog brutalere en snellere manier van het kapitaal om de arbeid van
het proletariaat uit te buiten en de rijkdommen van de volkeren over heel de
wereld te plunderen. Het hoofddoel van de monopolie bourgeoisie was het gebruik
van een hiërarchie van bedrijven en een hiërarchie van landen te rationaliseren
in naam van de 'vrije markt' om de imperialistische belangen te dienen.
Temidden van de economische en maatschappelijke rampspoed in de derde wereldlanden
als gevolg van de overproductiecrisis van grondstoffen en de vernietigende last
van de schulden, staken de imperialisten en hun propagandisten de loftrompet
over de zogenaamde tijgers van Azië (Taiwan, Zuid-Korea, Hongkong en Singapore)
als voorbeelden ter navolging voor de landen van de derde wereld.
Daarbij lieten ze in het duister dat deze 'oude tijgers' staatsbescherming hadden
genoten voor de binnenlandse investeringen en vooral tegemoetkomingen bij hun
export naar de grote Amerikaanse consumentenmarkt als waardering voor hun bijdrage
aan het anticommunistische front tegen China en Noord-Korea in de jaren '70.
In de jaren '80 kwamen China en de Zuidoost-Aziatische landen Thailand, Maleisië
en Indonesië als de 'nieuwe tijgers' in de gratie van de VS en haar bondgenoten.
Terwijl de rest van de derde wereld een grote economische puinhoop was, trommelden
de VS Japan en de oude en de nieuwe 'tijgers' op als scheppers van het 'economisch
mirakel' van Oost-Azië en actiefste partners bij het maken van Oost-Azië tot
de groeiregio van de nog resterende decennia van de 20e eeuw en de hele 21e
eeuw.
Azië was inderdaad een veelbelovende markt ter grootte van eenderde van de wereldbevolking
oftewel twee miljard mensen-1,5 miljard in Noordoost-Azië en 500 miljoen in
Zuidoost-Azië . De VS zagen daarin een mooie aanvulling op hun binnenlandse
markt en een stevige basis voor economische groei in de zogenaamde eeuw van
de 'Pacific'. De landen rondom de Stille Oceaan waren sowieso al goed voor de
helft van de wereldhandel en men verwachtte dat hun aandeel daarin nog zou toenemen.
De monopolie bourgeoisie van de VS verwachtte Oost-Azië te kunnen laten groeien
en tegelijk te kunnen controleren in de overtuiging dat Japan gehoorzaam zou
blijven aan de Amerikaanse dictaten binnen het bilaterale kader van het veiligheidsverdrag
tussen de VS en Japan evenals binnen het multilaterale kader van de G7, OECD,
IMF, Wereldbank, GATT-WTO, de Aziatische ontwikkelingsbank en de samenwerking
binnen de APEC (Asia-Pacific Economic Cooperation). De combinatie VS-Japan moest
dienen om China en de Associatie van Zuidoost-Aziatische Landen (ASEAN) op een
lager ontwikkelingsniveau te houden en economisch te overheersen.
In navolging van de 'oude tijgers' zouden de agrarische landen van Zuidoost-Azië
, met name Thailand, Maleisië en Indonesië, zich, naast de traditionele export
van landbouwproducten en mineralen, moeten richten op de productie van kleding,
halfgeleiders, schoenen, speelgoed en andere op export gerichte producten met
een lage toegevoegde waarde. Men ging er van uit dat de inkomsten uit de export
gebruikt zouden kunnen worden voor de ontwikkeling van een basisindustrie zoals
in Taiwan en Zuid-Korea.
Onder het regiem van de 'vrije markt', echter, zou het IMF de landen van Zuidoost-Azië,
anders dan in het geval van Japan, Zuid-Korea en Taiwan, niet toestaan een industriële
ontwikkelingspolitiek te ontwikkelen en bescherming en overheidsgeld ter beschikking
te stellen voor een dergelijke politiek.
Bovendien was er geen gegarandeerde afzet voor de export van de halffabrikaten
van deze landen op de Amerikaanse markt, waarop de 'oude tijgers' in vroegere
decennia wel hadden kunnen rekenen en die op zijn minst goed was voor 30% van
hun export. In plaats daarvan kregen de 'nieuwe tijgers' en hun navolgers zoals
de Filippijnen, op de Amerikaanse markt in 1994 te maken met beperkingen op
hun export van kledingstukken en in 1996 van halfgeleiders.
China nam het grootste deel van de directe buitenlandse investeringen voor particuliere
bouw en voor exportproductie van halfgeleiders. Feitelijk was dat meer dan eenderde
van de 25% van het totaal aan directe investeringen over de hele wereld dat
in 1995 naar de 'opkomende markten' ging.
Het gevaar van een ernstige overproductiecrisis van op export gerichte halfgeleiders
werd groot door de wedloop tussen China en Zuidoost-Azië . China kon deze wedloop
gemakkelijk winnen wegens een veel grotere en goedkopere arbeidsmarkt, vooral
na de devaluatie van haar munt in 1994. China liet haar Zuidoost-Aziatische
concurrenten in het zand bijten nog voordat zij zelf het slachtoffer werd van
de eigen overmaat aan productiemiddelen.
Behalve de concurrentie met China en andere op export gerichte producenten van
halfgeleiders elders in de wereld, hadden de Zuidoost-Aziatische landen ook
nog hun duidelijk achtergebleven nationale economieën en handelspatronen. Hun
inkomsten uit de eigen exportproducten, grondstoffen en halfgeleiders, bleven
achter bij de uitgaven voor de import.
Het importafhankelijke karakter van de exportstrategie veroorzaakte stijgende
tekorten op de handelsbalansen en de lopende rekeningen. De vermeerderde export
van waren met weinig toegevoegde waarde leidde in feite tot een hogere import
van waren met veel toegevoegde waarde-machines en tussenproducten-waardoor nog
grotere handelstekorten ontstonden.
Voor wat betrof de imperialisten en de financiële instellingen moest het doordringen
van de 'vrije marktglobalisering' in Oost-Azië de landen in die regio veranderen
in 'opkomende markten' (niet langer 'nieuw geïndustrialiseerde landen' zoals
men daarvoor beweerde). Dergelijke landen leden onder toenemende tekorten op
de handelsbalans en of de lopende rekening, maar zij mochten wel geld lenen
voor de import van uitrusting en onderdelen voor op export gerichte fabricage,
particuliere bouw en luxe spullen voor de bovenklasse en bovenste lagen van
de middelklasse (auto's, huishoudelijke artikelen, computers, telecomhebbedingen
enz.).
De VS en haar imperialistische bondgenoten hadden de liberalisering van het
kapitaalsverkeer en de handel doorgedrukt. De steeds toenemende tekorten op
de handelsbalansen en lopende rekeningen werden gedekt door de instroom van
directe en speculatieve investeringen uit het buitenland. Indonesië en Maleisië
hadden een handelsoverschot omdat zij naast hun andere export ook olie exporteren.
Toch hadden zij te maken met toenemende tekorten op de lopende rekening.
De Filippijnen hadden te kampen met toenemende handelstekorten die de voornaamste
oorzaak vormden voor de huidige tekorten op de lopende rekeningen, nog verergerd
door de kosten van leningen. Thailand had ook, net als de Filippijnen, tekorten
op de handelsbalans en de buitenlandse rekeningen, maar het tekort op de lopende
rekening is nog veel groter dan dat van de Filippijnen. De internationale reserves
bestonden voornamelijk uit korte termijn kredieten en het land was daarom veel
gevoeliger voor valutaspeculatie.
De buitenlandse multinationale ondernemingen en de lokale compradore bedrijven
gooiden elk jaar meer geld over de balk en namen korte termijn leningen op om
de rente van de schulden te betalen en om lange termijn projecten te financieren
en investeringen aan te trekken voor deelname in speculatieve korte termijn
handel in aandelen en derivaten. De instroom van korte termijn kapitaal blies
de waarde van de Zuidoost-Aziatische valuta op en stimuleerde de import.
De overheden van Zuidoost-Azië werden niet alleen belaagd door groeiende handelstekorten
en tekorten op de lopende rekening maar ook door begrotingstekorten. Onvoldoende
belastingopbrengsten dwongen de regeringen om staatsbezit te verkopen en daarmee
slechts eenmalige revenuen binnen te halen. In hun voortdurende vertwijfeling
gaven zij staatsleningen en obligaties uit waarvoor fantastisch aantrekkelijke
rentes werden betaald, soms wel tot 35%. Dit was kaasje voor speculanten.
De totale kapitaalstroom naar Oost-Azië beliep alleen in 1996 (net voor het
uitbreken van de Zuidoost-Aziatische crisis) $ 156,8 miljard, drie keer meer
dan in 1990. Minstens driekwart hiervan was eerder speculatief kapitaal dan
directe investering. De uitstaande leningen van de banken van de imperialistische
landen aan China, Zuid-Korea, Taiwan, Maleisië en de Filippijnen bedroeg $ 338,6
miljard, tweemaal zoveel als de $ 165,2 miljard van 1993.
Het aandeel van Japan in de kapitaalmarkt van Oost-Azië als geheel en Zuidoost-Azië
in het bijzonder (Thailand, Filippijnen, Maleisië en Indonesië) was respectievelijk
35,4 en 43%. Het aandeel van de VS, daarentegen, was slechts 6,3 en 10,3%. De
EU nam de rest voor haar rekening.
Wijselijk namen de VS veel minder risico voor de leningen dan Japan en de EU.
Ze concurreerden met hen in de autohandel en andere basale industriële producten
en namen duidelijk de leiding in de verkoop van high-tech uitrusting, financiële
diensten, militair materieel, vermaak, geneesmiddelen, voedingsmiddelen en frisdranken.
Terwijl zij Japan en de EU aanmoedigden enorme leningen aan de landen van Zuidoost-Azië
te doen, wachtten zij tot de financiële ineenstorting van 1997-78 om in heel
Oost-Azië en ook in Japan zelf naar hartelust bankroete bedrijven op te kunnen
kopen.
2. De Zuidoost-Aziatische crisis van 1997
De monetaire en financiële crisis van Zuidoost-Azië brak uit op 2 juli 1997
toen na een week lang durende uitverkoop door internationale valutaspeculanten
de Thaise bath met meer dan 15% werd gedevalueerd. Andere Zuidoost-Aziatische
munten, de Filippijnse peso, de Maleise ringgit en de Indonesische roepia daalden
scherp. In minder dan een maand liepen de devaluaties op tot 32%.
De Zuidoost-Aziatische crisis veroorzaakte een wereldwijde schokgolf. Op 15
augustus beleefde de aandelenbeurs van New York de grootste daling van de koersen
sinds de crash van 1987. Zware verliezen werden ook geleden op de beurzen van
Frankfurt, Parijs en Londen. De aandelenkoersen in Hongkong daalden met 15%.
De aandelenmarkt van Japan stortte in.
Onder auspiciën van het IMF keurden de internationale banken en een aantal regeringen
een Amerikaans plan goed ten bedrage van $ 17,2 miljard om de Thaise bath te
redden. Dit was de grootste steunaankoop sinds de Mexicaanse crisis van de peso.
Maar het was niet voldoende om de munt te stabiliseren. Het fonds werd onmiddellijk
uitgeput door de aanspraken van de internationale kredietbanken en particuliere
financiële instellingen in hun voortdurende run op valutaspeculatie.
De crisis verspreidde zich in oktober snel onder de 'oude tijgers'. De dollar
van Singapore daalde 40 maanden lang ten opzichte van de Amerikaanse dollar.
De won van Zuid-Korea viel temidden van kolossale faillissementen. Tegen medio
oktober daalden de Aziatische munten met meer dan 35%. Vanaf juli werden de
aandelenmarkten getroffen door zware verliezen tot 40%. De aandelenmarkt van
de Filippijnen daalde met ongeveer 41%, met verliezen die opliepen tot $ 21
miljard.
Op 24 oktober stortte de markt van Hongkong in. Beleggingsmaatschappijen en
pensioenfondsen wilden af van hun blauwe Hongkong snippers. De Dow Jones zakte
door de vloer van een paar maanden eerder. Nooit eerder was die in één dag zo
ver gedaald.
Eind oktober kwamen Thailand en Indonesië bij het IMF bedelen om reddingspakketten.
Het IMF beloofde een pakket van $ 33 miljard voor Indonesië en gelastte de Indonesische
regering zestien insolvabele banken te sluiten en een eind te maken aan subsidies
op voedsel en brandstof.
In november werd de crisis nog erger toen de Japanse yen nog verder daalde ten
opzichte van de dollar na de ineenstorting van een grote aandelenfirma. De won
verloor zijn waarde in Zuid-Korea en de regering moest slechte leningen opkopen
van banken en vroeg om te beginnen bij het IMF voor een noodlening van minsten
$ 20 miljard.
Uiteindelijk kreeg het IMF een bedrag van $ 120 miljard bij elkaar, waarvan
Zuidoost-Azië , vooral Indonesië en Thailand, 63 miljard en Zuid-Korea 57 miljard
kregen. De VS verwierpen een voorstel van Japan tot oprichting van een Aziatisch
Monetair Fonds als plaatsvervanger van het IMF in de financiële crisis in Azië.
De VS maakten liever gebruik van het IMF, de Wereldbank en de Aziatische Ontwikkelingsbank
om fondsen te organiseren en daarmee Amerikaanse banken en investeringsfirma's
in een betere positie te brengen om Aziatische bezittingen te verwerven en failliete
bedrijven op te kopen.
Het is duidelijk, de crisis in Zuidoost-Azië kan als een monetaire en financiële
crisis gekenmerkt worden. De crisis ontstond abrupt in een wereld van vrij kapitaalsverkeer
van particuliere valutatransacties met een totaal van $ 1.300.000.000.000 dat
buiten de controle van de centrale banken om met de snelheid van het licht over
de aarde flitst. Het was een crisis van drastische waardedalingen, uitputting
van internationale reserves, scherpe dalingen in aandelenkoersen, kapitaalvlucht
en smeekbeden aan het IMF om reddingsoperaties.
Dit alles kwam voort uit de wezenlijke aard, de interne bewegingswetten en de
structurele problemen van de economieën van Zuidoost-Azië . Het is noodzakelijk
de crisis alzijdig en diepgaand te onderzoeken want een oppervlakkige en fragmentarische
beschouwing zal de oorzaken van de crisis slechts verhullen.
Premier Mahathir van Maleisië gaf George Soros en andere flitskapitaal operators
de schuld voor de crisis, omdat zij door hun controle over kapitalen de uitstroom
van buitenlands kapitaal konden voorkomen. De autoriteiten van de VS en het
IMF benadrukten de betekenis van het zogenaamde vriendjeskapitalisme om de crisis
te verklaren en de veel grotere verantwoordelijkheid van de buitenlandse monopoliekapitalisten
en hun collaboratie met hoge bureaucraten van de grote compradore- en landeigenarenklasse
te verdoezelen.
Weliswaar speelden de hoge bureaucraten en hun economische superieuren en vriendjes
(cronies) onder de grote compradores en landeigenaren een belangrijke rol in
het ontstaan van de financiële crisis, maar hun betekenis kan nooit groter zijn
dan die van de imperialistische landen, het IMF, de Wereldbank, de GATT-WTO
en de multinationale firma's en banken die de Zuidoost-Aziatische economieën
in hun greep houden en hun functie bepalen in de internationale arbeidsdeling,
waardoor een evenwichtige ontwikkeling wordt verhinderd.
De Zuidoost-Aziatische economieën zijn voornamelijk agrarisch met een variërend
deel van import afhankelijke industrie. Zij drijven voor een groot deel op de
export van grondstoffen (agrarische en minerale) en op halffabrikaten met weinig
toegevoegde waarde. Door hun onderontwikkeling zijn ze bovendien afhankelijk
van de import van veel soorten consumptie- en productiegoederen. Hun export
dekt nooit hun import. Daarom raken zij steeds meer in de schuld bij het buitenland
en staan steeds weerlozer tegenover de dictaten en de winstnemingen van de imperialisten.
In landen als Thailand, Maleisië en de Filippijnen maken halffabrikaten als
halfgeleiders en kledingstukken meer dan de helft van de export uit, maar die
halffabrikaten worden gemaakt in sprokkelbedrijven en leveren bij export zeer
weinig op vanwege de hoge kosten voor de import van uitrusting en onderdelen
voor de productie ervan.
De imperialisten leggen de voorwaarden van de 'vrije marktglobalisering' op
aan hun Zuidoost-Aziatische klantstaten. Hen wordt aanbevolen naar de status
van opkomende markt te streven in plaats van de status van 'nieuw industrialiserende'
economie te willen. Als 'opkomende markten' moeten de Zuidoost-Aziatische economieën
zoveel mogelijk zien te verdienen aan hun beperkte arsenaal exportartikelen
en hun import proberen te betalen met fondsen uit commerciële leningen, directe
investeringen en speculatief kapitaal.
De imperialistische beleidsmakers en hun propagandisten zijn nu gestopt met
de lippendienst aan industriële ontwikkeling als perspectief voor de onderontwikkelde
landen. De ontwikkeling van die landen wordt geacht te worden overgelaten aan
het vrije spel van het particulier ondernemerschap en de markt. De imperialisten
ontmoedigen nu openlijk elk ingrijpen van de staat ter regeling van de financiële
en andere economische bronnen voor de industriële ontwikkeling. Alleen de door
de imperialisten gestichte NGO's, die fungeren als de propaganda achterhoede
van de imperialisten, praten veel over 'milieuvriendelijke en ecologisch verantwoorde
economische ontwikkeling' terwijl de imperialisten zelf het liever hebben over
globalisering van de 'vrije markt' dan over 'ontwikkeling'.
Om een illusie van ontwikkeling op te roepen hebben de imperialisten en met
name Japan, fondsen beschikbaar gesteld voor, naast halffabrikaatondernemingen,
ook de particuliere bouw (hotels, golfbanen, kantoortorens, luxe woningbouw
enz.). Toen de Zuidoost-Aziatische economieën te kampen kregen met scherpe inkomstendalingen
uit de export of met grote stijgingen van de handelstekorten werden zij rijp
voor het opnemen van korte termijn kredieten voor particuliere bouwprojecten.
De 'boom' in de bouw diende tijdelijk tot 1997 om de economische neergang te
maskeren en een bepaalde hoeveelheid aan binnenlandse 'cash flow' te genereren
en de consumptieve vraag te stimuleren.
Het was een soort neoliberaal 'oppompen' in analogie met het keynesiaanse oppompen
van de economie middels openbare werken. Maar de 'boom' in de particuliere bouw
diende natuurlijk geen enkel openbaar doel omdat die gefinancierd werd uit korte
termijn kredieten en het alleen de hoogste klassen waren die er profijt van
hadden. Tenslotte ontstond er een overproductie in commerciële en luxe appartementen
die onverkoopbaar bleken. In Bangkok alleen stond voor 20 miljard dollar aan
ruimte leeg.
De Zuidoost-Aziatische landen die het wijdst openstonden voor de vrije instroom
van buitenlands kapitaal en die particuliere beleggers toestonden korte termijn
kapitaal op te nemen voor speculatie in onroerend goed hebben het meest te lijden
gehad van de financiële crisis van 1997. En daar bij kwam dan nog de ongelijke
ruilverhouding tussen de export van artikelen met weinig toegevoegde waarde
tegen de import van fabrikaten met veel toegevoegde waarde. Een groot deel van
de import bestond trouwens uit luxe goederen.
Het vrije verkeer van kapitaal was door de imperialisten bedoeld ter versnelling
van de verkoop van essentiële industrieproducten en 'high-tech' consumptie-
en productiegoederen en ter verkrijging van meer winst op financiële 'producten'
bovenop het traditionele krediet. De versnelling van de uitstroom van kapitaal
in de vorm van winstuitkeringen en servicekosten was bedoeld om de klanteconomieën
in de tang te kunnen houden onder de voortdurende dreiging van financiële insolvabiliteit
en kapitaalvlucht.
Het financiële beleid van de Zuidoost-Aziatische 'opkomende markten' stelde
de buitenlandse en lokale exporteurs in staat de inkomsten uit de export in
het buitenland op te slaan. Altijd op zoek naar zo weinig mogelijk risico belegden
de exporteurs hun geld het liefst in de VS of ergens anders in het buitenland.
Dit maakte de tekorten op de handelsbalans en de lopende rekeningen alleen nog
maar groter. Het vrije verkeer van kapitaal maakte de klanteconomieën wanhopig
en dwong hen kortlopende kredieten op te nemen om hun voortdurend stijgende
tekorten op de handelsbalans en de lopende rekeningen aan te vullen.
Om volledig te zijn bij het aansprakelijk stellen van de verantwoordelijken
voor de crisis, moeten we de hele structuur van de uitbuiters in kaart brengen:
bovenaan de imperialistische firma's en banken, daaronder de lokale uitbuitersklassen
en regerende reactionairen en hun maatjes.
Is het roekeloosheid van de imperialisten om de Zuidoost-Aziatische landen steeds
verder in de put van het tekort te drijven, hun schulden, die zij nooit helemaal
zullen kunnen afbetalen, te laten oplopen en hen naar het IMF te laten lopen
wanneer zij economisch en financieel instorten? Neen, met uiterst koele berekening
houden de imperialisten de Zuidoost-Aziatische klanteconomieën als neokolonies
in gijzeling. Door middel van de knevels van de schulden willen zij de nationale
natuurlijke rijkdommen en failliete bedrijven overnemen, de lokale arbeidskracht
verder in prijs verlagen om daardoor maximale winsten te genereren en voortgaan
met het opstrijken van de rente op de steeds groeiende buitenlandse schuld.
Al voor 1997 werd het leven steeds slechter voor alle landen en de werkende
mensen in Zuidoost-Azië . De illusie van de jaarlijks toenemende economische
groei werd opgeroepen door het vrije verkeer van kapitaal, vooral van het speculatieve
kapitaal en door de in het oog springende overconsumptie van de hogere en middenklassen.
De exportproducten van de Zuidoost-Aziatische landen leden zwaar onder de overproductiecrisis.
China en de Zuidoost-Aziatische landen (om maar te zwijgen over een aantal landen
in andere regio's) probeerden elkaar van de markt te drukken waar zij dezelfde
soorten halffabrikaten probeerden te slijten.
Sinds de crisis van 1997 worden de Zuidoost-Aziatische landen zwaar geplaagd
door extreme werkloosheid, faillissementen en productieverlaging, daling van
het inkomen van heel de bevolking en stijgende prijzen voor de belangrijkste
levensbehoeften, voortgaande devaluaties van de munt, vernietigende schuldenlasten
en het ineenstorten van de infrastructuur en van de maatschappelijke dienstverlening.
Het aantal mensen dat onder het bestaansminimum leeft, is enorm toegenomen.
Negentig percent van de bevolking van de Zuidoost-Aziatische landen leeft in
armoe. Ondervoeding, ziekte en analfabetisme verspreiden zich met de dag. Zelfs
een groot deel van de middenklasse dat zijn voordeel deed met de vroegere expansie
van het zakenleven, verkeert in armoede.
De economische en de maatschappelijke crisis in de Zuidoost-Aziatische klantlanden
heeft ook geleid tot een politieke crisis. De hele regio is een broeinest geworden
van sociale onvrede, en van een bittere wedijver tussen de reactionairen en
gewapende revolutionaire bewegingen.
De klantstaten zijn zwak en onstabiel geworden. Iedere heersende kliek wordt
onuitstaanbaar voor de bevolking door de steeds hogere belastingen en tarieven
in een inkrimpende economie. Zij wordt steeds sneller ontmaskerd, geïsoleerd
en gehaat door de bevolking wegens de komedie, de corruptie, het bedrog en de
repressie.
Het militair fascistische bewind van Soeharto in Indonesië is omvergeworpen
terwijl zijn opvolgers blijven worstelen met een toenemende crisis. Reactionair
militaire, religieuze en etnocentrische centrifugaalkrachten proberen Indonesië
uit elkaar te scheuren. De Communistische Partij van Indonesië heeft zich geconsolideerd
op het 8e partijcongres. De revolutionaire massabeweging neemt over het hele
land in kracht toe.
De revolutionaire beweging in de Filippijnen vervolgt haar weg in de nieuw-democratische
revolutie onder leiding van de Communistische Partij van de Filippijnen en toont
de volkeren van Zuidoost-Azië dat een volksoorlog te voeren en te winnen is;
zelfs in een land dat zich in de wurggreep bevindt van het Amerikaanse imperialisme.
Er zijn in de Filippijnen verschillende vormen van democratische strijd dynamisch
ontwikkeld. Een breed verenigd front van patriottische en progressieve krachten
heeft het Estrada regiem weten omver te krijgen en bezorgt het huidige regiem
nachtmerries.
De Zuidoost-Aziatische landen die pionierden in de importafhankelijke exportgeoriënteerde
strategie als ook diegenen die hen daarin volgden, inclusief de landen van Indo-China,
lijden nog steeds onder de wereldwijde overproductiecrisis. Voordat Zuidoost-Azië
zich heeft kunnen herstellen van de crisis van 1997 is de situatie daar nog
erger geworden nu de Amerikaanse economie zelf in een langdurige recessie verkeert
en de globale depressie daardoor verergerd is.
De crisissituatie in Zuidoost-Azië wijst duidelijk naar de toekomstige ontwikkeling
van alle vormen van revolutionaire strijd voor nationale bevrijding en democratie
tegen het Amerikaanse imperialisme en de lokale uitbuitersklassen. In de komende
decennia zal Oost-Azië het terrein worden van een nieuwe brede golf van de anti-imperialistische
beweging en van de proletarische wereldrevolutie.
3. De Zuidoost-Aziatische Crisis van 1997 en Verder
De crisis van Zuidoost-Azië verspreidde zich als een besmetting naar Zuid-Korea
in het laatste kwartaal van 1997. Dezelfde imperialistische machten, de multinationale
firma's en banken en de financierkapitalisten die betrokken waren bij de crisis
in Zuidoost-Azië , werkten in op Zuid-Korea en genereerden verder een crisis
in Noordoost-Azië en geheel Oost-Azië.
De economie van Zuid-Korea is echter van een heel ander karakter en raakt op
heel eigen wijze in een financiële crisis. Het is een geïndustrialiseerd land
maar zeer afhankelijk van Japans kapitaal. Het produceert elementair staal,
auto's, huishoudelijke apparaten en consumenten elektronica. Deze producten
liggen op een ramkoers met gelijkaardige exportproducten uit de VS, Japan en
de EU.
Voordat de crisis van 1997 uitbrak was de globale overproductiecrisis van deze
goederen al aan de gang. Zuid-Korea hoopte haar probleem op te lossen en haar
concurrenten te verslaan door via grote bankleningen de productie uit te breiden
en meer en goedkopere artikelen te exporteren. Doordat op een gegeven moment
de Zuid-Koreaanse firma's de leningen niet meer konden terugbetalen, werden
de banken nerveus en raakten in paniek door de uitwerking van de Zuidoost-Aziatische
financiële crisis.
Als het land dat in de meeste fondsen voor heel Oost-Azië voorzag, werd Japan
hard getroffen door de schokgolven vanuit Zuidoost-Azië en daarna vanuit Zuid-Korea.
Door recessie geplaagd en al lange tijd in stagnatie na het barsten van zijn
economische luchtbel in 1990 werd Japan geconfronteerd met een verdere verslechtering
van haar economische en financiële problemen toen Zuidoost-Azië en Zuid-Korea
niet in staat bleken de Japanse commerciële leningen te betalen.
Japan werd ook ongerust door de versmalling van de markt in Zuidoost-Azië voor
goederen geproduceerd in zowel het binnenland als in het buitenland door Japanse
en Zuid-Koreaanse bedrijven. Nog drukker maakte men zich over het idee dat monopoliebedrijven
en banken uit de VS de noodlijdende en failliete bedrijven in Zuid-Korea zouden
overnemen en nog verder in de verzwakte Japanse economie zouden penetreren.
De VS hebben inderdaad hun voordeel gedaan met de economische en financiële
problemen van Japan en Zuid-Korea en vele bedrijven overgenomen.
China legde het kapitaal beperkingen op om zich te beschermen tegen de golven
van de financiële crisis en geldontwaarding in Oost-Azië. Men verwachtte dat
zij haar munt zou devalueren om het hoofd te bieden aan de verwachte exportvoordelen
van de Zuidoost-Aziatische landen die wel hun munt lieten devalueren. Maar China
devalueerde haar munt niet. Zij was tevreden met het resultaat van de devaluatie
van 1994 en vreesde slechts de economische gevolgen in Oost-Azië en de hele
kapitalistische wereld te verergeren. Maar in feite zijn de muntdevaluaties
niet bevorderlijk geweest voor de export van Zuidoost-Azië ; zij dreven alleen
maar de kosten voor de import van uitrusting en onderdelen op. Bovendien bleef
de globale overproductiecrisis in de soorten goederen die werden geëxporteerd
door Zuidoost-Azië voortduren.
De globale kapitalistische economie is kleiner geworden sedert 1997, maar dit
wordt verhuld door de nominale groeicijfers van de VS en West-Europa en door
opname daarvan in de gemiddelden van de globale groei. Deze abstracte groeicijfers
verhullen ook de verslechterende economische ruïne van de algemene toestand
van de derdewereldlanden en van de regressieve landen van het voormalige sovjetblok.
Voordat Oost-Azië kon bekomen, vielen Rusland en Brazilië in respectievelijk
1998 en begin 1999 in een financiële crisis als gevolg van het in gebreke blijven
bij de betaling van uitstaande schulden, die waren opgelopen door de steeds
toenemende tekorten op de handelsbalans. De crises in Rusland en Brazilië verergerden
tot op zekere hoogte de problemen van de EU in verband met de Oost-Aziatische
crisis.
Terwijl de economische en financiële crisis zich uitbreidde van Zuidoost-Azië
naar Noordoost-Azië in 1997 en verder naar Rusland en Brazilië in 1998 en 1999,
probeerde de VS de 'opkomende markten' op te monteren met hulp van het IMF,
de Wereldbank en de G7 landen, maar bleef haar voordeel doen met de toestroom
van fondsen uit Europa, Japan en de gezonken 'opkomende markten'.
Het geld stroomde uit het buitenland naar de VS, aangetrokken door de hoge winsten
en de stijgende waarde van de aandelen, vooral die van de 'high-tech' bedrijven
en de hogere rente op waardepapieren. Daardoor bleef het buitenland het consumentisme
in de VS en het groeiende handelstekort van de VS subsidiëren.
In de VS raakte het kapitaal overgeconcentreerd en overgecentraliseerd. Bezittingen
werden overgewaardeerd. De verhouding tussen de prijs van aandelen en de verdiensten
daarop rees met duizenden percenten de pan uit. Het speculatiekapitaal steeg
hoog boven het peil van het productiekapitaal in de echte economie.
De VS zong haar eigen lof dat zij op de top van de high-tech golf in de jaren
'90 een 'nieuwe economie' van grote groei zonder inflatie en met hoge werkgelegenheid
zou hebben ontwikkeld. Tegen 2000, echter, begon de 'high-techballon' van de
VS scheuren te vertonen en begon de hele 'nieuwe economie' in te storten. De
klappen kwamen hard aan, zowel van binnenuit als van buitenaf.
Intern leidde het versnelde proces van extractie van meerwaarde uit de werkende
klasse binnen de VS tot de over-accumulatie van kapitaal. Om de productie te
maximaliseren en toch de neergaande winstmarges het hoofd te bieden, verhoogde
de monopolie bourgeoisie het constante kapitaal (grondstoffen, machines en gebouwen)
en verminderde het variabel kapitaal voor lonen.
De hoge technologie deed de maatschappelijke productie stijgen, terwijl het
variabel kapitaal voor de lonen omlaag ging. De monopolie bourgeoisie heeft
echter een probleem. Wanneer zij de winsten probeert te maximaliseren door het
constante kapitaal te laten groeien en het variabel kapitaal te verlagen, dan
wordt ook de koopkracht van de werkende mensen aangetast en wordt de markt kleiner.
Om het kapitaal te laten groeien boven het bestaande kapitaal plus de gerealiseerde
winst uit de verkoop van waren, maakte de monopolie bourgeoisie gebruik van
zowel bankleningen, aandelen, waarde papieren als derivaten om de productie
te stimuleren en op een speculatieve manier geld met geld te maken. Gigantische
corporaties en duistere dotcom bedrijfjes verloren elke realiteit uit het oog
bij het verwerven van fictief kapitaal en het bouwen van zowel reële als luchtkastelen,
alsook in speculatieve samensmeltingen binnen de VS en over de oceaan heen.
Door de hele jaren 90 heen, maakte de VS een schijnwereld van grenzeloze welvaart
voor het hele volk, door te hameren op het hoge inkomen per hoofd, door het
opofferen van vaste banen en die te vervangen door deeltijdbanen, door de overconsumptie
op te drijven middels consumentenkrediet en door meer dan 40% van de bevolking
van de VS zo gek te krijgen hun geld in aandelen te beleggen.
Maar het proces van winstmaximalisatie en het omlaag drukken van het werkelijke
loonpeil leidde uiteindelijk tot een overproductiecrisis evenredig aan de verminderde
koopkracht van de mensen. De grote inventarissen leidden tot productiestop,
ontslagen en faillissementen.
Buiten de VS resulteerde de versmalling van de wereldmarkt wegens de overproductiecrisis
en de financiële instortingen in de eerste plaats tot het jaar 2000 in kapitaalvlucht
naar de VS, maar uiteindelijk kwam de VS onder zware druk door de verminderde
export en de toenemende handelstekorten. De verminderde export van de VS leidde
verder tot minder exportorders voor andere landen. Zo doet een vicieuze cirkel
de wereldmarkt cumulatief steeds kleiner worden.
Vanaf maart 2000 is de aandelenmarkt van de VS naar beneden gekelderd, waarbij
de met high-tech geladen NASDAQ nog dieper viel dan de Dow Jones. Triljoenen
dollars gingen in rook op, vooral in de high-tech aandelen. Vanaf oktober 2000
is ook de industriële productie gedaald. Al meer dan twee jaar verkeren de VS
in recessie. De werkeloosheid is gestegen tot 5,7%.
De versmalling van de markt in de VS resulteert in verdieping van de langdurige
recessie in Japan en stagnatie in Europa. Zelfs in die ontwikkelde landen raakt
een toenemend aantal mensen aan lager wal door massaontslagen en verlaging van
het reële inkomen. Het grootste deel van de landen, vooral die welke grondstoffen
en halffabrikaten exporteren, is verder weggezakt in een permanente staat van
depressie. Zij worden geteisterd door groeiende massawerkloosheid, abrupte devaluaties
van de munt, stijgende prijzen van de eerste levensbehoeften en verlies van
de meest noodzakelijke maatschappelijke dienstverlening.
Sedert de invoering van het neoliberale beleid is er een aaneenschakeling geweest
van steeds ernstiger crises: de schuldencrisis van Zuid-Amerika en de rest van
de derde wereld begon in 1982, de crash van de aandelenmarkt in 1987, het uiteenspatten
van de Japanse luchtbel in 1990, de val van de Mexicaanse peso in 1994, de Oost-Aziatische
crisis in 1997, de crisis in Rusland en Brazilië in respectievelijk 1998 en
1999, de langdurige crash van de 'nieuwe economie' van de VS sedert 2000 en
het bankroet van Argentinië en Turkije in 2001-2002.
De huidige economische en financiële crisis in de VS is niet minder ernstig
en heeft verstrekkende gevolgen. Zij is een nieuw dieptepunt in de zich herhalende
en verslechterende chronische overproductiecrisis en in de chronische financiële
crisis van het kapitalistische wereldsysteem.
De regering Bush biedt geen oplossing voor de kapitalistische crisis in de VS
en over de hele wereld, maar integendeel, juist een verscherping door versterking
van de zogenaamde 'vrije marktglobalisering' met grote belastingvoordelen voor
de grote corporaties en het opvoeren van de militaire productie.
De VS is helemaal gek geworden in hun 'oorlog tegen het terrorisme'. Zij voert
unilateraal of in samenwerking met andere imperialistische landen en klantlanden
de militaire interventie en agressie op. De VS is de grootste terrorist van
de wereld, maar doet zich voor als antiterrorist in haar brutale aanvallen op
revolutionaire volkeren, nationale bevrijdingsbewegingen en op landen die assertief
voor hun onafhankelijkheid opkomen.
Onder druk van de overproductiecrisis en de financiële instortingen is het masker
van 'free enterprise' van het gezicht van het Amerikaans monopolie kapitalisme
gevallen. De VS zijn uitermate gretig geworden in het overnemen van buitenlandse
bezittingen en in toenemende mate protectionistisch tegen buitenlandse concurrenten
in de handel van agrarische en industriële producten.
Tot nu toe is de VS in staat gebleken andere imperialistische landen in het
geweer te brengen en aan te voeren tegen de onderdrukte volkeren en naties en
ook tegen landen die zich niet willen schikken, maar de andere imperialistische
landen zien steeds duidelijker dat de VS het leeuwendeel van de oorlogsbuit
in de wacht sleept.
Met het verscherpen van de kapitalistische crisis zal de strijd voor een herverdeling
van de wereld tussen de imperialisten onderling alleen maar toenemen en in nog
meer oorlogen tot uiting komen, maar de werkende klasse zal de klassenstrijd
tegen de monopolie bourgeoisie ook verscherpen en de imperialistische oorlog
omzetten in een revolutionaire burgeroorlog om het socialisme te vestigen. De
onderdrukte volkeren en naties zullen oorlogen van nationale bevrijding voeren
tegen de imperialistische agressieoorlogen en volksdemocratieën en het socialisme
vestigen.