Bijdrage
tot het Internationaal Communistisch Seminarie
"Economische crisissen en de mogelijkheid van een grote wereldcrisis"
Brussel,
2-4 mei 2002
www.icsbrussels.org , ics[at]icsbrussels.org
Pakistan
Communistische Arbeiders en Boeren Partij (CABP)
De
drie hoofdtegenstellingen in de huidige wereld
en de rol van de nationale bourgeoisie
Waarde afgevaardigden,
De kracht van een partij en van een beweging ligt in zijn vermogen haar gedachten
te systematiseren om adequaat te kunnen handelen en met alle kracht toe te slaan
op de zwakste schakel in de keten van gebeurtenissen, en zodoende de ideologische,
politieke en organisatorische omstandigheden te creëren voor het over de hele
wereld aan de machtsbronnen van het proletariaat. Daarom is een wetenschappelijk
begrip van de drie hoofdtegenstellingen waarmee de werkende klasse heden ten
dage wordt geconfronteerd, zowel geïsoleerd als in verbinding met elkaar, de
sleutel die de deur kan openen voor de socialistische wereldrevolutie.
Deze drie hoofdtegenstellingen, die allen het unieke kapitalistische systeem
als oorsprong hebben, zijn:
De tegenstelling tussen arbeid en kapitaal
De tegenstelling tussen de imperialisten
De tegenstelling tussen het onderdrukte volk en het imperialisme
Deze tegenstellingen worden niet gepresenteerd in enige rangorde, en dat kan
ook niet. De dialectiek van de politiek is veel te vloeibaar. Welke tegenstelling
dominant is op een gegeven moment kan alleen worden bepaald in relatie tot ruimte
en tijd. Bovendien is het vaststellen van de hoofdtegenstellingen makkelijk
genoeg. Om ze op te lossen op zodanige wijze dat het proletariaat aan de macht
kan worden gebracht, vereist een creatieve en originele toepassing van het marxisme
op de bijzondere nationale omstandigheden van elk land. In één woord, het is
een taak die alleen volbracht kan worden door het hele onderdrukte volk via
het revolutioneren van hun leven.
De tweede wereldoorlog resulteerde in de grootste vernietiging in de geschiedenis
van de mensheid ooit. Echter, met de overwinning van de Sovjet-Unie en de socialistische
krachten, de vestiging van het socialisme in Oost Europa en de Chinese revolutie
in 1949, verschoof de correlatie van krachten resoluut in het voordeel van het
socialistische kamp en deed de hoop opvlammen voor miljoenen meer wanneer zij
zich wendden tot het communisme en het marxisme-leninisme. Zelfs de normaal
niet al te snuggere ideoloog van de bourgeoisie John Foster Dulles, was helder
genoeg om te snappen dat "het kapitalisme was omgeven door een zee van communisme".
In strategische termen vertegenwoordigde de VS de laatste verdedigingslijn van
het kapitalistische systeem omdat het de enige macht was met de economische
en militaire mogelijkheid om het kapitalisme te stabiliseren. Voor de oorlog
werd de wereldmarkt min of meer gelijkelijk beheerst door vier naties-de VS,
Engeland, Frankrijk en Duitsland. Echter, de verwoestingen in Europa door de
oorlog creëerden de voorwaarden voor de ongehoorde economische, politieke en
militaire dominantie van de VS. De dominante positie van Engeland was al aan
het afbrokkelen (zoals blijkt uit het verminderend aandeel van Engelse waren
in de wereldhandel), maar de oorlog was de laatste nagel in de doodskist die
de wereld deed overgaan van de Pax Britannica naar de Pax Americana.
De VS poogden hun nieuw verworven hegemonie te gebruiken om het kapitalistische
systeem te stabiliseren. De bourgeoisie dacht, dat een economische depressie
(zoals die van 1930) de maatschappelijke voorwaarden voor een socialistische
revolutie zou kunnen oproepen. Zij gingen er van uit, dat zo lang zij de meest
hevige oscillaties van het systeem zouden kunnen stabiliseren en tegelijk een
gematigde verhoging van de levensstandaard zouden kunnen verzekeren voor de
arbeiders binnen het imperialistische centrum, zij het kapitalistische systeem
zouden kunnen redden.
Op nationaal vlak werd deze taak uitgevoerd door regulering van de vraag en
de verzorgingsstaat, in andere woorden door keynesiaanse economie. Op internationaal
vlak was dit de taak van de Bretton Woods Conferentie, die het Marshall Plan,
de Internationale Bank voor Onderzoek en Ontwikkeling (later de Wereldbank),
het Internationale Monetaire Fonds, en de Algemene Overeenkomst over Handel
en Tarieven (later Wereldhandel Organisatie).
Het management van het internationale financiële systeem door de VS en het beheer
van de nationale economie binnen elk afzonderlijk land verzekerde het herstel
van Europa en Japan en legde de basis voor een duurzame naoorlogse 'boom'. De
VS voorzagen in een markt voor haar kapitalistische bondgenoten en via de rondes
van de GATT werden tarieven verlaagd van 60% in 1934 tot 4,3% in 1987. De tarieven
van Japan werden gelijkelijk verlaagd tot 2,9% en die van de EU werden gereduceerd
tot 4,7%. Van 1945 tot 1973 groeide de wereldproductie met een gemiddelde van
3,4% per jaar. De wereldhandel groeide zelfs sneller. Van 1948 tot 1966 nam
die toe tot 6,6% per jaar en tussen 1966 en 1973 nam die nog toe 9,2% per jaar.
Deze groei van de productie en de internationale handel vormde het hoogtepunt
in de naoorlogse consensus.
In de jaren 1970 werd dit naoorlogse systeem (Bretton Woods en het keynianisme)
in toenemende mate aan kritiek blootgesteld, vooral in de VS en Engeland. Stagflatie,
begrotingstekorten en een neergaand aandeel van de wereldmarkt waren de voornaamste
voorwerpen van kritiek. Door de prijsstijgingen van de olie in 1973 en 1979
als gevolg van de oprichting van de OPEC in combinatie met de internationale
uitwerking van de Amerikaanse betrokkenheid in de oorlog in Vietnam, bleek het
systeem van Bretton Woods niet te handhaven. Als gevolg van de zware toename
van de kosten voor energie (vooral olie) kon het systeem van vaste wisselkoersen
niet gehandhaafd blijven en verruilde dat begin jaren 1989 voor een systeem
van flexibele wisselkoersen. De nieuwe oliedollars in de Westerse banken vormden
de basis van bankleningen aan de derde wereld. Aan de andere kant stelde de
nieuwe voorspoed in het Middenoosten de Saoedische monarchie in staat een programma
van fundamentalistisch reveil te lanceren. In het Westen veroorzaakten deze
omstandigheden werkloosheid en inflatie, dat wil zeggen, stagflatie. De kapitalistenklasse
voelde er niet langer voor met geld de werkloosheid te bestrijden vanwege de
grote begrotingstekorten en de nationale schuldenlasten.
In de jaren 1960 begon het aandeel van Amerikaanse goederen en diensten op de
wereldmarkt af te nemen. Zoals eerder gezegd, was het aandeel van Engeland in
de wereldmarkt al sedert het begin van de eeuw aan het dalen. Langdurige werkloosheid
en deïndustrialisatie in Engeland en de VS werden toegeschreven aan de toenemende
concurrentie van Europa, en vooral het Verre Oosten. In beide landen bezorgde
een meer 'mes op de keel' kapitalisme de rijken een aantrekkelijker middel om
de aan Europa en Japan verloren wereldheerschappij te herwinnen.
De ideologische basis voor deze 'mes op de keel' vorm van kapitalisme werd gelegd
door het neoliberalisme aan de economische kant en het postmodernisme/poststructuralisme
aan de sociaal culturele kant. Neoliberalisme en postmodernisme zijn twee kanten
van dezelfde munt. Waar het neoliberalisme het ideologische grondwerk deed voor
de ontmanteling van de keynesiaanse verzorgingsstaat, deed het postmodernisme
het ideologisch grondwerk voor de introductie van flexibele arbeidsvoorwaarden.
De centrale trekken van het neoliberalisme zijn wel bekend-deregulatie, privatisering,
liberalisatie en in de context van de derde wereld, het Structurele Aanpassingsprogramma.
Het begrip flexibele arbeidsverhoudingen duidt de mogelijkheid aan om arbeiders
te ontslaan in slappe tijden en ze weer aan te nemen in drukke tijden. Het postmodernisme
rechtvaardigde die flexibele arbeidsverhoudingen, in kritiek op het Fordisme,
als verrijking van de baan en als meer individuele keuzevrijheid.
Monopoliemacht
We leven nu in een wereld, waar 1% van de multinationals 70-80% van de wereldhandel voor zijn rekening nemen (40% is louter onderlinge handel tussen bedrijven). Ongeveer 90% van alle multinationale bedrijven zijn gevestigd in industriële landen. De 15 grootste multinationals controleren de wereldmarkt in 20 sleutelwaren: 90% van de wereldhandel in ijzer, graan, hout, katoen, tabak, ananas; 80% van de wereldhandel in koper, thee en koffie; 70% van de wereldhandel in rijst; en 60% van de wereldhandel in olie. De 5 grootste multinationals nemen 70% van de duurzame consumptiegoederen voor hun rekening, 58% van de auto's, trucks en luchtlijnen, 55% van de ruimtevaart, 53% van elektronische onderdelen en 50% van de olie-, staal-, computer- en medi-aindustrie (Brar, 1997). Bovendien vindt meer dan tweederde van alle handel plaats tussen de handelsblokken-NAFTA, EU en ASEAN (Hirst, 118). Het beeld wat we krijgen van de productie en de maculatuur verschilt niet veel van dat van de wereldhandel. Nauwelijks 1% van alle multinationals bezit de helft van de aandelen van de directe investeringen (FDI) , 80% van alle internationale investeringen nemen 30% van de wereldproductie voor hun rekening. De 200 grootste multinationals buiten minder dan 0,05% van de wereldbevolking uit, maar zijn controleren meer dan 25% van het Bruto Nationaal Product (Brar, 1997). Vanaf 1995 tot 2001 heeft er een historisch aantal fusies en overnames plaatsgevonden waardoor de monopolisering van de natuurlijke rijkdommen verder is toegenomen.
Financierskapitaal
Bijna tweederde van al het productiekapitaal ter wereld wordt door niet meer dan 50 van de grootste banken en minder gespecialiseerde financiële bedrijven gecontroleerd. Middelerwijl maakt de deregulatie gecombineerd met de toegenomen communicatie het speculanten mogelijk in het internationale casino van het financierskapitaal te spelen. Gloeiend geld, dat in en uit de aandelenmarkten en munten vliegt, kan niet alleen economieën, maar ook hele regio's in puin storten, zoals de Oost Aziatische monetaire crisis heeft aangetoond.
Een mondiale overproductiecrisis
Dankzij deregulatie, privatisering en liberalisering is de vraag op de wereldmarkt
gedaald. De Structurele Aanpassingsprogramma's in de derde wereld en de flexibele
arbeidsverhoudingen in de eerste wereld dragen bij tot een steile daling van
de vraag. Tegelijkertijd is door de introductie van nieuwe technologie (siliconen
chips, computers, glaskabel, internet, robotisering enz.) de productiecapaciteit
snel toegenomen, maar maakte daarmee ook miljoenen werklozen. Daarom gaat de
toename in productiecapaciteit gepaard met een daling van capaciteit tot kopen.
Deze tendens heeft in de kapitalistische wereldeconomie van vandaag een chronische
crisis van overproductie doen ontstaan. De crash van de aandelenmarkt van oktober
1987, de Oost-Aziatische monetaire crisis, gevolgd door de crisis in Rusland,
Brazilië en Argentinië zijn uitingen van de mondiale crisis van overproductie.
Met de deregulatie van het staatskapitalisme zijn deze oscillaties (door burgerlijke
economen 'business' cycli genoemd) enorm verhevigd en dreigen volkomen uit de
hand te lopen. De imperialisten hebben besloten om zinkende economieën te laten
zinken omdat er gewoon geen politieke motivatie is om iets anders te doen (zoals
het geval was na de Tweede Wereldoorlog). Bovendien voelen de imperialisten
er steeds minder voor om de economische kosten daarvoor op zich te nemen. Zoals
al eerder gezegd, zijn de nationale en internationale schulden al hoog en een
poging om de huidige crisis van overproductie af te wenden door geld te lenen
kan deze crisis mogelijk nog erger maken.
Twee verkeerde conclusies met betrekking tot de huidige economische crisis en
de mogelijkheid van een wereldcrisis dienen bestreden worden. Ten eerste, men
mag er niet van uit gaan dat deze economische crisis louter van voorbijgaande
aard is en dat de kapitalistische economie op korte termijn zal moeten herstellen.
Dit is de mening van de burgerlijke apologeten van het kapitalisme en het imperialisme.
Ten tweede, men mag er niet van uit gaan dat er geen uitweg bestaat voor de
bourgeoisie. Het advies van Lenin aangaande de economische crisis na de Eerste
Wereldoorlog is zeer goed van toepassing in de context van vandaag. Hij zei:
"De bourgeoisie treedt op als openlijke plunderaars die hun hoofd zijn kwijtgeraakt; zij halen de ene na de andere stommiteit uit, waardoor zij de situatie verergeren en hun ondergang verhaasten. Dat is helemaal waar. Maar niemand kan 'bewijzen' dat het absoluut onmogelijk is voor hen om een minderheid van de uitgebuite mensen met enige kleine concessies te kalmeren en een bepaalde beweging of opstand van een bepaalde sectie van de onderdrukte en uitgebuite mensen te onderdrukken. Op voorhand proberen te 'bewijzen' dat er 'absoluut' geen uitweg is uit de situatie is totale pedanterie of holle praat en kretologie. De praktijk alleen zal in deze en dergelijke vraagstukken het bewijs leveren. Over de hele wereld ervaart het bourgeoissysteem een verschrikkelijk revolutionaire crisis. De revolutionaire partijen moeten nu in de praktijk 'bewijzen' dat ze voldoende verstand en organisatie bezitten, in contact staan met de uitgebuite massa's en besluitvaardigheid en vaardigheid om deze crisis te gebruiken voor een geslaagde en zegevierende revolutie."
Een geslaagde zegevierende revolutie kan alleen worden uitgevoerd door die
elementen binnen de arbeidersbeweging uit het politieke strijdperk te isoleren
die aan de kant staan van de opportunisten. We weten dat de sociaal-democratische
en opportunistisch economische doctrines er van uitgaan dat de bourgeoisstaat
de door Marx ontdekte economische wetten van de kapitalistische ontwikkeling
kan 'veranderen', 'omkeren', 'stoppen', enz. Al deze partijen, groepen, NGO's
en andere organisaties die deze opportunistische kijk delen, zijn, om met Lenin
te spreken, betere verdedigers van de bourgeoisie dan de bourgeoisie zelf. Deze
elementen vormen het belangrijkste obstakel bij de revolutionairsering van de
wereldwijde arbeidersbeweging. Daarom moet hun invloed theoretisch, politiek
en organisatorisch geïsoleerd en vernietigd worden binnen de beweging van de
werkende klasse om het marxisme wereldwijd te doen herleven.
De laatste drie decennia zijn getuige geweest van een ongehoorde groei van de
maatschappelijke macht van het kapitaal over de arbeid. De toenemende scherpte
van de economische crisis vindt zijn oplossing in de militarisering van het
imperialisme en de zucht naar oorlog om de winsten op te voeren. De mogelijkheid
van een interimperialistische confrontatie stelt het vraagstuk van de tegenstelling
tussen de imperialisten aan de orde.
Er bestaan in de wereld van vandaag drie handelsblokken - NAFTA, EU en ASEAN. Sedert de jaren 1960 is het aandeel van de NAFTA in de wereldhandel in relatie tot de andere blokken afgenomen. De VS is daarom het agressiefst bij het terugwinnen van het aan hun concurrenten verloren aandeel. Feitelijk poogt iedere groep van staten instrumenten in handen te krijgen om een groter marktaandeel te verwerven en de wereld te beheersen. Tot nu toe is deze krankzinnige jacht op winst nog niet uitgelopen op een directe militaire confrontatie tussen de imperialisten. Er zijn echter vele tekenen die in die richting wijzen. Japan is al aan het militariseren. De ressentimenten in Oost Azië vanwege de economische neergang en de monetaire crisis kunnen mogelijk benut worden om expansionistische neigingen aan te wakkeren. De burgerlijk ideologische stromingen in Europa, die zich schijnbaar 'kritisch' opstellen tegenover de politiek van de VS, proberen het Europese imperialisme als een alternatief aan te dragen voor het imperialisme van de VS. De creatie van Internationale Gerechtshoven en het praten over een door Europa geleide strijdmacht voor 'situaties als Joegoslavië' is bedoeld om de ontwikkeling van de EU tot een imperiale macht met een geregeld leger dat kan concurreren met de strijdkrachten van het Amerikaanse imperialisme, te maskeren. De nationale militaire budgetten tonen de groei naar militarisering aan.
| Militaire Budgetten van Landen | |
| Verenigde Staten | $396,000,000,000 |
| Rusland | 60,000,000,000 |
| China | 42,000,000,000 |
| Japan | 40,400,000,000 |
| Verenigd Koninkrijk | 34,000,000,000 |
| Saoedi-Arabië | 27,200,000,000 |
| Frankrijk | 25,300,000,000 |
| Duitsland | 21,000,000,000 |
| Brazilië | 17,900,000,000 |
| India | 15,600,000,000 |
| Italië | 15,500,000,000 |
| Zuid-Korea | 11,800,000,000 |
| Israel | 9,000,000,000 |
| Iran | 9,000,000,000 |
| Taiwan | 8,200,000,000 |
| Totaal | 732.900.000.000 |
Lenin zei:
"De eerste imperialistisch oorlog van 1914-18 was het onvermijdelijk gevolg van deze verdeling van de hele wereld, van deze dominantie door de kapitalistische monopolies, van deze grote macht uitgeoefend door een onbetekenend aantal van zeer grote banken-twee, drie, vier of vijf in elk land. Deze oorlog werd gevoerd voor de herverdeling van de hele wereld. Hij werd gevoerd om uit te maken welke van de kleine groep van grootste staten-het Britse of het Duitse-de mogelijkheid en het recht zou krijgen om de hele wereld te beroven, te wurgen en uit te buiten."
Met betrekking tot de mogelijkheid van een interimperialistische oorlog moeten
we twee fouten gelijk aan de hierboven genoemde zien te vermijden. Ten eerste,
om zonder meer aan te nemen dat een interimperialistische oorlog niet aan de
orde is, is onjuist omdat dit standpunt de relatie tussen het economisch systeem
en de drang tot oorlog, niet naar waarde schat. Marxisten-leninisten zeggen
net als Clauzewitz: "Oorlog is de voortzetting van politiek, maar dan met gewelddadige
middelen3. Verder zei Lenin: "Politiek is louter geconcentreerde economie".
Het is volledig juist om te zeggen, dat de verheviging van de concurrentie tussen
de imperialisten de waarschijnlijkheid van een interimperialistische confrontatie
in de toekomst doet toenemen. Ten tweede, is het net zo verkeerd om aan te nemen
dat de huidige economische crisis onmiddellijk zal uitlopen op een interimperialistische
oorlog. Het adagium dat het "imperialistische systeem onvermijdelijk moet leiden
tot oorlog" wil niet zeggen dat het systeem altijd en bij iedere economische
crisis direct in een wereldoorlog moet uitmonden. Dat zou een mechanistische
interpretatie van het marxisme-leninisme zijn.
Op dit moment resulteren de toenemende economische spanningen tussen de imperialistische
machten nog niet in een militaire confrontatie tussen de imperialisten onderling,
maar in een agressief militaire expansie in de koloniën. De globale economische
concurrentie tussen de grootmachten resulteert in de verscherping van de tegenstellingen
tussen de imperialisten en de onderdrukte volkeren.
Het imperialisme van de VS probeert vandaag zijn globale hegemonie te herwinnen
in naam van de 'oorlog tegen het terrorisme'. Op typisch kapitalistische wijze
kapitaliseert deze imperialistische macht haar agressieve voorsprong; haar superioriteit
in bewapening. Haar strategie is mondiaal, maar drie regio's hebben haar grootste
aandacht-Zuid-Amerika, Oost-Azië en het Middenoosten. Om de economische crisis
af te wenden voert zij een agressieve politiek van expansie en controle in elk
van de regio's.
De VS pompen nu 7,1 miljard dollar in Zuid-Amerika onder voorwendsel van 'Plan
Colombia' en de 'Oorlog tegen Drugs'. In werkelijkheid is dit geld bedoeld voor
de bestrijding van de FARC-EP, Sundero Luminoso en andere revolutionaire partijen.
In Venezuela vindt men steeds meer bewijzen van de betrokkenheid van de VS bij
de coup tegen Hugo Chaves en het enthousiasme waarmee de VS deze coup begroetten
was voor de hele wereld duidelijk te zien. Echter de imperialisten van de VS
zullen ervaren dat het in Zuid-Amerika niet alles rozengeur en maneschijn is.
Het imperialisme van de VS heeft Oost-Azië sinds de Tweede Wereldoorlog gedomineerd,
maar kreeg daar voor het eerst voet aan de grond met de kolonisatie van de Filippijnen
gedurende de Spaans-Amerikaanse oorlog op de drempel van de 20e eeuw. Vandaag
voeren zij de agressie op in hun oudste kolonie tegen de glorieuze NPA en de
Communistische Partij van de Filippijnen. Maar de VS zouden best een ander Vietnam
kunnen tegenkomen in de Filippijnen.
Centraal in de strategie van het imperialisme van de VS staat de dominantie
over de olie. Het VS-imperialisme wil de interne economische crisis afwenden
en de internationale competitie verslaan door hun monopolie uit te breiden over
alle olie in de wereld om zo de tijden van goedkope olie-importen van voor 1973
te herscheppen. Daarom is het VS-imperialisme bezig een ring van bases aan te
leggen om het Middenoosten en Midden-Azië te controleren. Een ring van bases;
een ring van vuur. Het eerste schot in de rekolonisatie van het Middenoosten
viel toen het VS-imperialisme in 1991 zijn vuile oorlog verklaarde aan Irak.
Deze viering van het einde van de Koude Oorlog met een middeleeuws bloedritueel
ging gepaard met de opzettelijke uithongering van 1,3 miljoen Irakese burgers.
Vandaag maken de VS weer plannen voor een volgende aanval op het volk van Irak.
De aanvallen op Joegoslavië en Afghanistan maken deel uit van een tangbeweging
vanuit het westen en het oosten om de regio militair te beheersen en de olie
van Midden-Azië te monopoliseren. De massaslachtingen onder weerloze Joegoslavische
en Afghaanse mensen worden afgedaan als 'collateral damage'. Maar eigenlijk
zijn zij 'collateral damage' in de strijd voor de oprichting van een ring van
vuur ter overheersing Midden-Azië voor olie. Deze ongehoorde misdaden tegen
onschuldige mensen zullen niet vergeten worden, in nog geen duizend jaar. In
Pakistan, Afghanistan en het Middenoosten heeft het VS-imperialisme een massale
aanwezigheid aan troepen, 80.000 in totaal. In Palestina gaat het VS-imperialisme
voort met zijn uiterst weerzinwekkende politiek van steun aan een racistische
en kolonistenstaat om de Arabische volkeren te controleren. De openlijke genocide
waaraan Ariel Sharon op het Palestijnse volk onderwerpt heeft niet meer dan
een symbolisch protest opgeroepen van de regeerders van de wereld. Het imperialisme
heeft uitgemaakt dat Palestijnen onnodig, overtollig en overcompleet zijn, alle
regeringen van de wereld zijn bereid hun uitroeiing te accepteren. Maar het
Palestijnse volk heeft besloten dat het niet uitgeroeid zal worden. En daarmee
hebben de Palestijnen het lot bezegeld van het imperialisme in het Middenoosten.
De imperialisten hebben besloten een 'collectieve straf' op te leggen aan alle
naties van de onderdrukte wereld. Het VS-imperialisme zal ongetwijfeld ervaren
dat de onderdrukte volkeren van de wereld dat niet zonder slag of stoot zullen
ondergaan. Het VS-imperialisme is de grootste vijand van alle onderdrukte volkeren
ter wereld.
Binnen het anti-imperialistische kamp, echter, staan er verschillende klassenkrachten
in het strijdperk. De communisten moeten vooral in staat zijn het op te nemen
tegen de nationale bourgeoisie.
De marxistische dialectiek leert ons, dat iedere klasse opkomt, zijn revolutionaire
toppunt bereikt en dan in de geschiedenis verdwijnt als een conservatieve en
achterlijke kracht. Neem de bourgeoisie in het Westen als voorbeeld. Die klasse
was een opkomende klasse in de 16e eeuw. De Franse revolutie van 1789 betekende
het hoogtepunt van haar revolutionaire activiteit. Na de beroeringen van 1848
werd zij conservatief, reactionair en contrarevolutionair. 1848 was het stervensjaar
van de 'revolutionaire bourgeoisie' van Europa. Vanaf toen kon de bourgeoisie
van Europa niet langer worden beschouwd als een 'revolutionaire' klasse, ondanks
welke gematigd progressieve rol zij in deze of gene context ook gespeeld mag
hebben.
De opkomst en de ondergang van de nationale bourgeoisie in de onderdrukte landen
verschilt hiervan niet veel in ontwikkelingsdialectiek. De nationale bourgeoisie
was een opkomende klasse in de periode van het kolonialisme. Tegen het einde
van de 19e eeuw karakteriseerde Lenin haar zelfs als een 'jonge revolutionaire
klasse' in zijn Het achterlijk Europa en het Vooruitstrevend Azië en in andere
artikelen over China. In het begin van de 20e eeuw kwam deze klasse tot revolutionaire
rijpheid en bleek in de meeste gevallen in staat de leiding van de antikoloniale
strijd op zich te nemen. Toen mobiliseerde deze klasse het volk, riep het tot
de wapenen en vervulde de onderdrukten met energie voor de onafhankelijkheid.
In China werd deze klasse vertegenwoordigd door Sun Yat Sen en de Nationalistische
Partij. In India was de Congrespartij, zij het in veel mindere mate revolutionair,
er de vertegenwoordiger van. In Indonesië was het Soekarno. In Afrika Kwame
Nkhroema en de Pan-Afrikanisten. In de Arabische landen was het Gamal Abdul
Nasser en de Pan-Arabisten. In al deze gevallen kwam het programma van de nationale
bourgeoisie, met vanzelfsprekend bepaalde veranderingen, in wezen neer op de
volgende vier eisen:
1. Burgerlijk democratische republiek
2. De een of andere vorm van landhervorming
3. Democratische vrijheden (persvrijheid, vergadering, organisatie enz.)
4. Enige vorm van staatsinterventie in welzijn en ontwikkeling van de infrastructuur
Al deze transformaties, hoewel van uiterst belang in een koloniale context,
blijven stevig binnen het burgerlijk-democratisch kader en helpen het kapitalisme
te consolideren op een democratische basis. De strijd voor democratie is uiterst
belangrijk voor de werkers, maar de strijd voor democratie moet nooit verwisseld
worden met de strijd voor socialisme. Bovendien, de bedoeling van het opportunisme
in verband met de onderdrukte wereld, was het proletariaat de ideologische,
politieke en organisatorisch voorwaarden, noodzakelijk voor het leiderschap
in de anti-imperialistische strijd, te onthouden. Zelfs al is het proletariaat
en zijn partij uiterst klein, dan kan en moet zij proberen de leiding van de
anti-imperialistische beweging in handen te krijgen.
Zelfs zo ver terug als in de jaren 1920, sprak Lenin van een verbetering van
de betrekkingen tussen bourgeoisie van de onderdrukte landen en het imperialisme.
Op grond hiervan maakte hij verschil tussen de reformistische 'burgerlijk democratische
beweging' en de 'nationaal revolutionaire beweging' (de term nationale bevrijdingsstrijd
steunt op dit onderscheid). Daarom schreef Lenin:
"Er is een zekere toenadering ontstaan tussen de bourgeoisie van de uitbuitende
landen en die van de koloniën, zodat zeer vaak-misschien wel in de meeste gevallen-de
bourgeoisie van de onderdrukte landen, terwijl zij de nationale beweging steunt,
volledig in overeenstemming is met de imperialistische bourgeoisie, dat wil
zeggen, er gemene zaak mee maakt tegen al de revolutionaire bewegingen en revolutionaire
klassen."
In het licht van deze toenadering adviseert Lenin dat
"Wij als communisten moeten en zullen burgerlijke bevrijdingsbewegingen in de
koloniën alleen dan steunen wanneer ze echt revolutionair zijn en wanneer hun
exponenten ons werk in het opvoeden en organiseren van de boeren en de uitgebuite
massa's in een revolutionaire geest niet hinderen. Wanneer dat niet zo is, dan
dienen de communisten in deze landen de reformistische bourgeoisie te bestrijden…"
Hoe ziet het karakter van de nationale bourgeoisie in de onderdrukte landen
er vandaag uit? Kunnen we de nationale bourgeoisie vandaag als een 'revolutionaire'
klasse beschouwen? Bijvoorbeeld, laat deze klasse de communisten voortgaan met
het werk van de organisatie van het proletariaat, de boeren en de uitgebuite
massa's in een revolutionaire geest? Daar is maar één antwoord op, NEEN! Deze
uitspraak is natuurlijk een generalisering over de historische betekenis van
de nationale bourgeoisie en laat geen ruimte voor uitzonderingen waar die klasse
nog een relatief revolutionaire functie vervult.
In feite betekende de omverwerping van een hele reeks nationaal revolutionaire
leiders, Kwame Nkhruma in Ghana, Patrice Lumuba in Congo, Sukarno in Indonesië,
Arbenz in Guatemala in en rond de jaren 1950 en 1960 het begin van het einde
van het revolutionaire tijdperk van de nationale bourgeoisie. Wanneer deze stelling
al onaanvaardbaar was in de jaren 1960, dan werd die nog onaanvaardbaarder in
de jaren 1970. In India de brutaliteit waarmee de CPI (ml) werd vernietigd;
in Pakistan de harde repressie van de arbeidersbeweging in 1973; in Egypte de
capitulatie van Ahmed Sadaat voor het zionistisch imperialisme; al deze daden
zijn indicatief voor de transformatie van de rol van de nationale bourgeoisie
in de onderdrukte wereld.
In de jaren 1980 en 1990 was de hele wereld getuige van de complete capitulatie
van deze klasse voor de algemene uitplundering van de onderdrukte wereld in
naam van het Structurele Aanpassingsbeleid. Met nog geen krimp gaf de nationale
bourgeoisie blijk van protest. Een andere factor was juist het politieke vacuüm
gecreëerd door het als revolutionaire macht verstek laten gaan van deze klasse,
dat heeft geleid tot de opkomst van het religieus fundamentalisme in vele delen
van de wereld (bijvoorbeeld de BJP in India, de fundamentalisten in Iran, Pakistan,
Afghanistan en het Middenoosten). Deze ineenstorting van de nationale bourgeoisie
viel ook samen met de vernietiging van het socialistische blok door revisionisme
en het nieuwe 'mes-op-de-keel' kapitalisme van het imperialisme. Al deze factoren
tezamen produceerden de laagste en reactionairste periode in de geschiedenis
van de 20e eeuw.
Wanneer we het er over eens zijn, dat de nationale bourgeoisie niet langer een
'revolutionaire klasse' is, in welk opzicht verandert dat onze strategie en
tactiek voor de Nieuw-Democratische of de Volksdemocratische Revolutie?
Deze stelling impliceert dat de objectieve krachten in het voordeel van een
volksdemocratische revolutie in feite al zijn gerijpt. Deze conclusie is gebaseerd
op het argument, dat zolang de nationale bourgeoisie een revolutionaire rol
speelt het uiterst moeilijk is voor de proletarische krachten om haar de mantel
van het politieke leiderschap van alle onderdrukte en uitgebuite mensen in een
kolonie te ontfutselen. Maar wanneer de nationale bourgeoisie heeft opgehouden
een revolutionaire rol te spelen, dan worden de tegenstellingen tussen deze
klasse en de massa van uitgebuite mensen steeds groter en scherper.
Onze conclusie uit deze discussie over de transformatie van de rol van de nationale
bourgeoisie suggereert dat de objectieve condities meer dan gunstig, misschien
zelfs overrijp, voor het proletariaat en zijn voorhoede partij om het leiderschap
van de anti-imperialistische beweging in handen te nemen. Daarom moeten zij
de volgende leuze naar voren brengen in de context hun bijzondere nationale
omstandigheden.
1. Macht aan de werkers en de boeren
2. Omvattende landhervormingen
3. Democratische vrijheden (vrijheid van pers, vergadering, organisatie enz.)
4. De opbouw van een planeconomie
De oude strategische leuzen van de burgerlijke democratie zijn totaal onmachtig
de massa's te activeren, tot leven te brengen, te inspireren of te mobiliseren
tot de strijd en zelfopoffering. De proletarische partijen dienen hun strijd
niet te beperken tot democratie, maar moeten druk uitoefenen voor een ononderbroken
revolutie; zij moeten werken aan een volksdemocratische revolutie die het proletariaat
in bondgenootschap met de boeren aan de macht zal brengen. Tenslotte moeten
we benadrukken en het volk uitleggen dat alleen het proletariaat samen met de
boeren geleid door de marxistisch-leninistische partij de taak van de anti-imperialistische
strijd kan volvoeren.
De drie hoofdtegenstellingen waarmee de werkende klasse op het wereldtoneel
te maken heeft, te weten de tegenstelling tussen arbeid en kapitaal, de tegenstelling
tussen de imperialisten onderling en de tegenstellingen tussen de onderdrukte
volkeren en het imperialisme, roepen de revolutionaire marxistisch-leninistische
partijen op tot resoluut en doorslaggevend optreden op het wereldtoneel.
Brar, Harpal (1997) Imperialism - decadent, parasitic, moribund capitalism
Harpal Brar Publications
Hirst, Paul; Thompson, Grahame (1996) Globalization in Question Polity Press.
V. I. Lenin, "Preliminary draft theses on the national and the colonial questions
for the Second Congress of the Communist International, Collected Works, 4th
English Edition, Progress Publishers, Moscow, 1966 Vol. 31, pp. 144-151.