Bijdrage
tot het Internationaal Communistisch Seminarie
"Economische crisissen en de mogelijkheid van een grote wereldcrisis"
Brussel,
2-4 mei 2002
www.icsbrussels.org , ics[at]icsbrussels.org
Iran
Organisatie van de Fedajin (Minderheid)
De crisis van het kapitalisme is globaal
Bij het begin van de 21ste eeuw verkeert het kapitalisme meer dan ooit in een historische impasse. De eindeloze tegenstellingen van dit systeem bewijzen dat het historisch van voorbijgaande aard is. Het kapitalistisch productiesysteem bereikt het toppunt van parasitisme, zijn tegenstellingen zijn steeds scherper en zijn crisissen steeds uitzichtlozer.
Een snelle blik op het kapitalisme van vandaag biedt een beeld van diepe crisissen waarmee bijna alle landen ter wereld geconfronteerd worden. De economische stagnatie tot het begin van 2002 heeft de groei van het BNP (bruto nationaal product) in de wereld tot 0,8% doen dalen. In de Verenigde Staten, het epicentrum van de grootste monopolies van het kapitalistisch systeem, daalde het BNP om zich tenslotte te stabiliseren op 0,6%. De Japanse economie stagneert sinds bijna tien jaar, ondanks de financiële, industriële en technologische macht van het land. De inspanningen van de wereldburgerij en de toepassing van verschillende economische en financiële plannen waren niet bij machte om Japan, al was het voorlopig, uit de crisis te halen en zijn BNP blijft dalen. De Japanse economie kent vandaag een negatieve groei van min 1,5%. Europa is er niet beter aan toe en werd, na Japan en de Verenigde Staten, eveneens getroffen door een economische crisis. In één jaar tijd is de economische groei van Duitsland gedaald van 3% tot 0.5%, die van Frankrijk van 3,5% tot 2,1% en die van Engeland van 2,9% tot 1,8%. De groep van landen die door de kapitalistische wereld als "economische tijgers" worden aanzien, d.w.z. de landen van Zuidoost-Azië en Zuid-Korea, zijn economisch in elkaar gestort tengevolge van financiële crisissen. Terwijl de economische stagnatie toenam, ontstonden er ernstige financiële crisissen vooral in de aandelenbeurzen. Hier en daar stortte een beurs in elkaar. Al deze crisissen hebben het wereldkapitalisme aangetast, terwijl de opening van uitgestrekte markten over heel de planeet en de neoliberale economische politiek verondersteld werden tenminste voorlopig de tegenstellingen van de kapitalistische productieverhoudingen te verminderen en de gewelddadige losbarsting van deze tegenstellingen door diepe crisissen te verhinderen. Maar de uitbreiding van de markten en de toepassing van een neoliberale politiek hebben er niet toe bijgedragen om de onoplosbare crisissen van het kapitalisme uit de weg te ruimen. Want de tegenstellingen die eigen zijn aan het kapitalisme, ondermeer de tegenstelling tussen de gesocialiseerde productie en de privé eigendom van de productiemiddelen, zijn zodanig ver gevorderd dat maatregelen die, zelfs voor een korte periode, de hinderpalen kunnen wegnemen, niet langer werkzaam zijn. Dit komt door het feit dat de crisissen het gevolg zijn van de hevige losbarsting van de bestaande tegenstellingen. De gedwongen stilstand van de productie, de vernietiging van een deel van de productiekrachten, de werkloosheid van miljoenen arbeiders losten voorlopig de economische crisissen op. Maar deze oplossing leidde tot andere, nog grotere crisissen. Om die reden hebben de overheersing van de monopolies en van het financieel kapitaal en het hoogste stadium van het kapitalisme, het imperialisme, een reeks tegenstellingen voortgebracht in de productie, zodanig dat de kapitalistische wereld nooit geziene crisissen heeft gekend. De grote crisis van 1920 - 1932 die het kapitalisme heeft doen wankelen, kondigde de verrotting aan van de kapitalistische orde. Deze grote crisis bracht niet allen de verrotting van de kapitalistische productie aan het licht, maar ook de crisis van het wereldkapitalisme op economisch, sociaal en politiek vlak. Om deze grote crisis tegen te gaan heeft de burgerij de oorlog en het fascisme op de dagorde gezet.
De tweede wereldoorlog, die leidde tot de ontwrichting van de economie in de kapitalistische wereld, behalve in de Verenigde Staten, heeft een groot deel van de productiekrachten vernietigd. Daarom kwam er een relatief herstel na het einde van de oorlog. De heropbouw in Europa gebeurde door grote investeringen en een massale inzet van arbeidskrachten. De hernieuwing en de heropbouw van de industrie door het gebruik van nieuwe technologieën vereisten aanzienlijke investeringen. Vermindering van de productiekosten door het gebruik van nieuwe technieken, nieuwe grondstoffen, competitiviteit, groei van de tertiaire sector, toename van het militarisme, massale investeringen in de minder ontwikkelde kapitalistische landen, verder doorgedreven mondialisering van de productie en van het kapitaal, integratie van de achtergebleven kapitalistische landen in de kapitalistische wereldmarkt, dat alles waren parameters die een economische heropleving toelieten van de ontwikkelde kapitalistische landen gedurende twee decennia. De gemiddelde groei van het BNP in Frankrijk, Duitsland, Italië, Engeland, Japan en de Verenigde Staten tijdens het decennium 1950 - 1960 bedroeg 5,5% en de werkloosheid bedroeg 2,4% in het begin van 1970 in de landen van de Europese Economische Gemeenschap. Maar deze twee decennia waren een uitzondering in het geheel van de 20ste eeuw. Vanaf het begin van de zeventiger jaren herbegonnen de crisissen. De crisis van 1974 kondigde een nieuwe reeks crisissen aan van het kapitalisme. De groeipercentages bleven dalen. Ze daalden van 6% in 1973 tot onder nul in 1974 - 75. In de Verenigde Staten bedroeg de groei min 0,5 en min 1,3; in Japan min 1,4 en min 2,7 en de gemiddelden voor alle andere grote kapitalistische landen waren 0,2 en min 0,2 in 1974 en 1975. Deze crisis heeft een massale werkloosheid teweeggebracht. Het aantal werklozen in de meest ontwikkelde landen nam toe van 7.324.000 in 1973 tot 18,5 miljoen gedurende de tweede helft van de zeventiger jaren.
De nieuwe crisis van de zeventiger jaren heeft aangetoond dat het kapitalisme onbekwaam is om de cyclische crisissen op te lossen. Zij toonde ook het falen aan van de keynesiaanse en de sociaal-democratische politiek. Het kapitalisme was nog niet uit deze crisis geraakt toen zich een andere nog grotere crisis aankondigde gedurende de jaren 1979 -1982. De economische groei van alle kapitalistische landen, uitgenomen Japan, daalde niet relatief maar absoluut. De gemiddelde groei van de 7 meest geïndustrialiseerde landen bedroeg min 0,3% gedurende deze periode. Het aantal werklozen steeg tot 24 miljoen. De burgerij nam toen de beslissing om de druk op de arbeiders te verhogen en een neoconservatieve politiek toe te passen. Zij beweerde dat het neoliberalisme de crisis, de inflatie en het probleem van de werkloosheid zou oplossen. Maar het decennium van 1980 heeft het failliet aangetoond van deze politiek. De beurskrach van 1987 was een alarmsignaal voor de burgerij en kondigde een nieuwe crisis aan voor het begin van de negentigerjaren. Het groeipercentage van het BNP van de meest ontwikkelde kapitalistische landen daalde opnieuw onder nul gedurende 1991 - 93. Deze crisis heeft voortgeduurd tijdens de laatste jaren van de 20ste eeuw en de economische groei bedroeg gemiddeld niet meer dan 2 à 3%. In het begin van de 21ste eeuw vertoont dit groeipercentage eveneens een dalende curve. De economische situatie van het begin van de 20ste eeuw herhaalt zich in dit begin van de 21ste eeuw. Het kapitalisme gaat een totale economische ineenstorting en een kolossale crisis tegemoet. Deze realiteit uitte zich in de tweede helft van de 20ste eeuw in een daling van de industriële productie en van het BNP. De industriële productie in de meest ontwikkelde kapitalistische landen kende een gemiddelde groei van 5,5% tijdens de vijftigerjaren en deze was praktisch dezelfde in de zestigerjaren. Maar in de zeventiger jaren steeg deze productie met 2,3% in West-Europa en met 3,4% in de Verenigde Staten. Dit percentage daalde nog gedurende de tachtigerjaren, om 1,3% te bereiken in de West-Europese landen en 2,6% in de Verenigde Staten.
De gemiddelde groei van het BNP in de meest ontwikkelde kapitalistische landen bedroeg 5,3% in de vijftiger jaren, min 5% in de zestiger jaren, 3,3% in de zeventiger jaren, 2,9% in de tachtigerjaren en 2,3% in de negentigerjaren. Het groeipercentage vertoont wel degelijk een dalende curve tijdens de tweede helft van de 20ste eeuw. Dit bewijst dat het wereldkapitalisme zich in een chronische crisis bevindt sinds de eerste helft van de zeventigerjaren. De cyclische periodes van heropbloei en van stagnatie vertonen eveneens een dalende curve. Geen enkele heropbloei heeft de achteruitgang van de vorige crisis kunnen inhalen. De economische parameters tonen ook aan dat hoe meer de curve daalt hoe langduriger de cyclische crisissen zijn. De cyclische crisissen van 1957 - 58 en van 1969 - 70 hebben slechts een kortstondige stagnatie van de kapitalistische economie meegebracht en de groeipercentages hebben in deze periode geen absolute daling vertoond. Maar de cyclische crisis van 1974 - 75 heeft een absolute daling meegebracht van de economische groei en de stagnatie heeft voortgeduurd. De crisis van 1979 - 1982 was nog erger, want de economische groei kende een nog grotere absolute daling en ze was één van de meest langdurige crisissen van de tweede helft van de 20ste eeuw. Gedurende de eerste helft van de negentigerjaren, werd de crisis niet opgevolgd door een relatieve heropleving, maar ze verscherpte nog op het einde van dit decennium. Op dit ogenblik bevindt de wereldeconomie zich in deze diepe crisis. Deze realiteit toont de tegenstelling aan tussen het sociaal karakter van de productie en het privé bezit van de productiemiddelen. Ze bewijst de impasse en het bankroet van het kapitalisme. Deze impasse en dit failliet weerspiegelen zich niet alleen in de economische crisissen, maar ook in de levensomstandigheden van miljoenen arbeiders en werkers in de wereld. De neoliberale politiek en de nieuwe technologieën hebben de uitbuiting van de arbeiders verergerd en zij hebben de materiële toestand van de arbeidersklasse verslechterd tijdens de laatste drie decennia. Deze verslechtering is niet relatief maar absoluut. De arbeidersklasse is armer geworden tijdens de laatste drie decennia. Niet alleen in de achtergebleven kapitalistische landen is de arbeidersklasse geconfronteerd met extreme armoede. Dit is ook het geval in de meest ontwikkelde kapitalistische landen. Het reëel loon van de arbeiders daalde voortdurend en de levensstandaard ging achteruit tot het niveau van de jaren 1960 en 1970. Enkele jaren geleden deelden de officiële statistieken van de Verenigde Staten mee dat de reële lonen in de VS in 1990 gemiddeld waren gedaald om zich te stabiliseren op het niveau van 1961. De toestand in het sociaal-democratisch Europa is min of meer identiek. Deze daling van de levensstandaard van de arbeidersklasse wordt bevestigd door officiële bronnen, terwijl het rendement van de arbeid zich vermenigvuldigde met 200 of 300 en de winst van de belangrijkste monopolies bleef stijgen. Zo nam de winst van de 500 grootste monopolies toe met 2,5 om 221 miljard dollar te bereiken in 1989 en 554 miljard dollar in 1999.
De daling van het reëel loon van de actieve arbeiders is één aspect van de absolute verslechtering van de toestand van de arbeidersklasse. Een andere aspect is de werkloosheid van miljoenen mensen in de hele wereld. Het aantal werklozen kende een ongeziene stijging tijdens de laatste decennia. De Internationale Arbeidsorganisatie van de Verenigde Naties deelde mee dat één derde van de actieve wereldbevolking, d.w.z. 3 miljard mensen, hetzij werkloos is, hetzij deeltijds werkt. Volgens dit zelfde rapport, leeft de helft onder de armoedegrens. Dit rapport, dat verscheen in 2000, zegt dat gedurende de laatste twee jaren, het aantal werklozen met 20 miljoen was toegenomen. Sinds de publicatie van dit rapport zijn er nog miljoenen werklozen bijgekomen. Het grootste aantal werklozen leven in de achtergebleven kapitalistische landen. Maar de meest ontwikkelde kapitalistische landen kenden ook een stijging van het aantal werklozen. Het vermogen van deze laatste landen om arbeidsplaatsen te creëren binnen de perken van vraag en aanbod is volledig ondermijnd sinds het midden van zeventiger jaren. De toestand is niet meer zoals voorheen toen een relatieve economische heropbloei zich vertaalde in volledige tewerkstelling. De huidige crisis is immers chronisch geworden en veroorzaakt steeds meer werkloosheid. Het gebruik van moderne technologieën, de komst van informatica en elektronica, die het gebruik van computers hebben veralgemeend voor de controle van de machines, en het gebruik van robots hebben een doorgedreven automatisering meegebracht. De ongeziene concentratie van het kapitaal heeft de organische samenstelling van het kapitaal op een ongeziene schaal doen evolueren. Nu kan een klein aantal arbeiders een groter aantal productiemiddelen doen werken. De hoge organische samenstelling van het kapitaal en de ver doorgedreven automatisering van de productiemiddelen, die het gevolg is van de vereniging van wetenschap, technologie en productie, hebben een groot overschot aan arbeidskrachten veroorzaakt. Niet alleen de productiearbeiders worden ontslagen, ook de arbeiders uit de tertiaire sector verliezen hun baan, tengevolge van het gebruik van moderne technologieën. Daarom is het aanbod van werkplaatsen in de productiesector en in de dienstensector steeds kleiner dan de vraag. Op die manier stijgt het aantal werklozen jaar na jaar in de meest ontwikkelde kapitalistische landen. Hoewel de officiële statistieken over het aantal werklozen met veel omzichtigheid een voorbehoud moeten gehanteerd worden, tonen zij toch aan dat het aantal werklozen toeneemt. Het aantal werklozen in de belangrijkste kapitalistische landen bedroeg 7,3 miljoen in het begin van de zeventiger jaren. Het steeg tot 31,9 miljoen in 2000, waarvan 22 tot 24 miljoen in de meest geïndustrialiseerde landen. De stijging van het aantal werklozen is een flagrant bewijs van het onvermogen van de meest ontwikkelde kapitalistische landen om de crisis op te lossen, maar ook het onvermogen van de achtergebleven kapitalistische landen waar de werkloosheid een lange reeks van sociale rampen heeft veroorzaakt. De kapitalistische landen zijn niet alleen in een economische crisis verzonken. Andere crisissen kondigen zich ook aan.
Het burgerlijk parlementarisme in de meest ontwikkelde landen bevindt zich eveneens in crisis. De meerderheid van de mensen in de Verenigde Staten en in Europa hebben geen vertrouwen meer in het kapitalistisch politiek systeem. Meer dan de helft van de stemgerechtigden nemen niet meer deel aan de verkiezingen. Ze hebben immers begrepen dat zij hun echte afgevaardigden niet kunnen verkiezen om een verandering af te dwingen. Er bestaan blijkbaar politieke vrijheden in de meest ontwikkelde kapitalistische landen, maar de mensen hebben niet de mogelijkheid om ze te gebruiken teneinde hun verzuchtingen te realiseren. De belangrijkste propagandamiddelen en informatiemedia van de publieke opinie zijn in handen van de monopolies. Radio, televisie, kranten, uitgeverijen en bioscoop worden gecontroleerd door een handvol kapitalisten. De burgerij die deze middelen bezit heeft in feite aan de mensen het recht om te kiezen ontnomen. De mensen stellen vast dat zij geen enkele rol meer spelen in het verloop van de dingen. Zij zien dat de verkiezing van deze of gene vertegenwoordiger van deze of gene burgerlijke politieke partij aan het hoofd van de regering of in het parlement niet veel verandering oplevert. Zij verwerpen de ogenschijnlijk verkozen instellingen. Deze afwijzing heeft het politiek systeem in de meest ontwikkelde kapitalistische landen in diskrediet gebracht. Verder heeft de overheersing van de monopolies een zekere tendens ontwikkeld van politiek conservatisme dat de democratie uitholt. De burgerij aanziet zich als de kampioen van de mensenrechten en de politieke vrijheden, vooral t.a.v. de achtergebleven kapitalistische landen. Maar dat betekent niet dat de burgerij in deze landen echte politieke rechten zou verdedigen. Zij streeft aldus haar doelstellingen na in de economische politiek. De monopolistische wereldburgerij verdedigde de onderdrukking en de militaire dictatuur in de landen van Latijns Amerika, Azië en Afrika zogezegd om hun economische ontwikkeling mogelijk te maken. Maar vandaag verdedigt zij de parlementaire democratie in deze zelfde landen teneinde de revolutionaire bewegingen onder controle te houden, en steeds met hetzelfde doel, namelijk de toepassing van de burgerlijke economische politiek. In de wereld wordt de parlementaire democratie toegepast waar er geen sterke volksbeweging bestaat. In vergelijking met de parlementaire democratie in de meest ontwikkelde kapitalistische landen, zijn de politieke rechten en vrijheden van de mensen in de andere landen zeer beperkt. Het toepassingsveld van de parlementaire democratie is afhankelijk van de wereldpolitiek en haar stabiliteit wordt bepaald door de economische situatie. Zelfs in de parlementaire democratieën in de meest ontwikkelde landen worden de democratische rechten en de politieke vrijheden van de volksmassa's, voornamelijk die van de arbeiders en de vrouwen, met de voeten getreden naarmate de neoliberale politiek er wordt toegepast. De communistische organisaties en de radicale arbeiderssyndicaten komen er onder zware druk te staan. Tegelijkertijd valt de burgerij steeds scherper uit tegen de oppositiebewegingen buiten het parlement.
Vandaag maakt de burgerij gebruik van de terroristische aanslagen van 11 september 2001 in de Verenigde Staten om haar antidemocratische maatregelen te rechtvaardigen onder het voorwendsel de veiligheid van de bevolking te verzekeren. De democratische rechten en de politieke vrijheden werden hierdoor zwaar aangetast. De versterking van de racistische en fascistische tendensen in de imperialistische landen, de vooruitgang van het godsdienstig conservatisme, het overwicht van de islambewegingen en de machtsgreep van islambewegingen in het Midden-Oosten en in sommige Afrikaanse landen, de terugkeer naar de politieke reactie door het herstel van de monarchie in sommige landen, de aanwakkering van reactionaire nationalistische bewegingen door verschrikkelijke oorlogen die door de imperialisten worden ondersteund, de concurrentie tussen de imperialistische mogendheden die soms regionale oorlogen uitlokken, de toename van het militarisme, van de oorlogszucht en het expansionisme, dat alles zijn realiteiten die de verscherping aantonen van de tegenstellingen, de crisissen, de verrotting en het parasitisme van het kapitalisme. De gebeurtenissen na 11 september hebben ook dezelfde tegenstellingen en crisissen aangetoond welke het kapitalisme niet kan oplossen. Volgens de Amerikaanse regering zijn de aanslagen van 11 september het werk van de islamfundamentalisten van het net van Bin Laden en de Afghaanse Taliban. Duizenden Amerikaanse burgers hebben het leven verloren bij deze aanslagen. De Verenigde Staten en Engeland hebben Afghanistan aangevallen met de steun van de andere grote wereldmogendheden. Duizenden Afghanen zijn omgekomen in de bombardementen en honderdduizenden zijn dakloos geworden. Het is waar dat de Taliban en Bin Laden marionetten waren van de Amerikanen en hun bondgenoten. Het is waar dat de Verenigde Staten de ogen hebben gesloten voor de barbaarse repressie die de Taliban hebben opgelegd aan het Afghaanse volk gedurende verschillende jaren, zoals zij de ogen sluiten, samen met de andere imperialistische mogendheden, voor de repressie uitgeoefend door ander reactionaire staten uit de regio die hun bondgenoten zijn. Maar het is van belang vast te stellen dat de vooruitgang van het islamfundamentalisme in bepaalde delen van Azië en Afrika het gevolg is van de onoplosbare tegenstellingen van het wereldkapitalisme. De Verenigde Staten en Engeland willen deze tegenstellingen niet oplossen door Afghanistan aan te vallen. Zij zijn daar overigens niet toe in staat. De Verenigde Staten en Engeland willen geen wraak nemen voor de aanslagen van 11 september. Zij streven precieze politieke, militaire en economische doelstellingen na, waarvan de tegenstellingen in het Midden-Oosten overigens de gevolgen en de resultaten zijn. Het Amerikaans imperialisme gebruikt de gelegenheid die werd geboden door Bin Laden en de Taliban voor zijn militaristische en expansionistische doelstellingen. Militarisme, oorlogszucht, expansionisme bewijzen alleen maar de impasse en de algemene crisis van het kapitalisme in zijn hoogste stadium, d.w.z. het imperialisme. Na de verscherping van de tegenstellingen en van de economische en politieke crisissen van het kapitalisme en na de achteruitgang van de arbeidersbeweging gedurende de laatste jaren van de 20ste eeuw, begonnen de eerste twee jaren van de 21ste eeuw met tekenen van heropleving van de arbeidersbeweging en van een nieuwe ontwikkeling van de klassenstrijd. Honderden miljoenen arbeiders hebben deelgenomen aan honderden stakingen gedurende de laatste twee jaren. De huidige strijdbewegingen hebben nog steeds een economisch karakter, maar er waren reeds algemene stakingen met een politiek karakter. Maar ook al hebben deze strijdbewegingen zich voortdurend ontwikkeld, ook al worden de tegenstellingen van het kapitalisme steeds scherper, ook al biedt de arbeidersbeweging in alle kapitalistische landen van de wereld heel duidelijk het vooruitzicht van een nieuw elan, toch dient een ernstige zwakte te worden vastgesteld. Dit zwak punt is het gebrek aan revolutionair leiderschap en het laag niveau van socialistische kennis bij de arbeiders. Het lijdt echter geen twijfel dat de verscherping van de tegenstellingen en de crisissen van het kapitalisme en de ontwikkeling van de strijdbewegingen het socialistisch bewustzijn onder de arbeidersklasse zal doen herleven en dat de revolutionaire voorhoede van de arbeidersklasse, d.w.z. echte arbeiderspartijen het licht zullen zien. Nu reeds tonen de arbeiders hun voorkeur voor communistische en linkse organisaties. Het nieuw fenomeen is de gezamenlijke strijd van de linkse en communistische organisaties in verschillende landen van de wereld tegen de kapitalisten en de monopolies. Sommige arbeidersvakbonden werken samen met de linkse en communistische organisaties in de antikapitalistische strijd. De huidige omstandigheden hebben een linkse wending veroorzaakt.