Bijdrage
tot het Internationaal Communistisch Seminarie
"Economische crisissen en de mogelijkheid van een grote wereldcrisis"
Brussel,
2-4 mei 2002
www.icsbrussels.org , ics[at]icsbrussels.org
India
Communistische Partij van India (Marxistisch-Leninistisch) Janashakti
De huidige factoren van een economische crisis op wereldvlak
Wanneer we over het onderwerp ' De huidige factoren van een economische crisis
op wereldvlak' discussiëren dan nemen we daarbij aan dat er al lang of al enige
tijd sprake is van crisissen. Na de Grote Crisis, in 1933, schreef J.M. Keynes
die zeker geen marxist te noemen is, dat " het decadente internationale individualistische
kapitalisme zoals we dat na de wereldoorlog aantroffen, geen succes is". Het
is niet intelligent, het is niet mooi, het is niet rechtvaardig, het is niet
deugdzaam en het komt zijn beloftes niet na. Kortweg, we houden er niet van
en we beginnen het te verachten." In zijn werk " De algemene theorie" schreef
hij dat " de bijzondere gebreken van de economische maatschappij waarin wij
leven zijn het onvermogen om te zorgen voor volledige werkgelegenheid, de willekeur
en de ongelijke verdeling van welvaart en inkomen".
Hij richtte zijn aanval vooral op renteniers en om hen uit te dagen wilde hij
de tussenkomst van de regering om voortdurende investeringen mogelijk te maken.
Zijn theorie van de volledige werkgelegenheid ging zelfs zo ver dat hij investeringen
voorstond die niets opleverden om zo de vraag naar arbeidskracht op peil te
houden. "Twee piramides, twee dode massa's, zijn twee keer zo goed als één,
maar dat is niet het geval bij twee spoorwegen van Londen naar New York".
Verder zei Keynes: "Zolang miljonairs bevrediging vinden in het bouwen van grote
villa's voor als ze nog leven en piramides voor als ze dood zijn en zolang ze,
uit berouw voor hun zonden, kathedralen stichten en geld weggeven aan de missie
zal de dag dat overvloed aan kapitaal botst met overvloed aan productie nog
niet bereikt zijn. Betaald met spaargeld gaten in de grond graven zal niet alleen
de werkgelegenheid doen toenemen maar ook het werkelijke natuurlijke dividend
in de vorm van nuttige goederen en diensten.
Keynes veroordeelde het kapitalisme en bracht een remedie naar voren tegen de
ongelijke verdeling van inkomen en welvaart door middel van kapitalistische
accumulatie om zo de winstvoet naar beneden te brengen. Maar uiteindelijk resulteerde
dit in de versterking van de onderdrukkende en uitbuitende natie staten.
In de eerste helft van de twintigste eeuw waren de tegenstellingen binnen het
kapitalistische systeem het best zichtbaar in de vorm van de twee wereldoorlogen
en de Grote Crisis. Keynes theorie om de staat te versterken was een antwoord
op deze crisis om het kapitalisme te redden.. Maar de crisissen duren voort.
Overproductie, overcapaciteit, en weinig mogelijkheden om de markt uit te breiden
In het hoofdstuk " het ontwarren van de interne tegenstellingen van de wet" (Het Kapitaal, deel III) legde Marx de link tussen crisissen en de tendens van de dalende winstvoet. Een dalende winstvoet stimuleert overproductie, speculatie, crisissen, overschot aan kapitaal en overschot aan mensen. Verder zegt hij dat de grens van de kapitalistische productiewijze duidelijk wordt uit het feit dat de ontwikkeling van de productiekracht van de arbeid bij de dalende winstvoet een wet creëert die op een zeker moment een antagonisme is met deze productiemethode en om deze te boven te komen zijn periodieke crisissen noodzakelijk. Uit Marx woorden kunnen we de conclusie trekken dat een dalende winstvoet een kenmerk is van een toenemende organische samenstelling van het kapitaal. De kapitalistische crisis is een interruptie van het circulatieproces, veroorzaakt doordat de winstvoet onder zijn gebruikelijke niveau zakt.
Paul Zweezy zegt in zijn werk "De theorie van de kapitalistische ontwikkeling":
"De theorie van crisissen zoals die in Deel I aan de orde komt, en af en toe
besproken wordt in deel II en III, behandeld maar een kant van het hele probleem.
Want het gaat er steeds van uit dat, tot het moment dat de crisis feitelijk
uitbreekt, alle producten tegen hun volledige waarde verkocht kunnen worden.
In de woorden van de gangbare theorie veronderstelt het dat de crisis niet het
resultaat maar veel eerder de oorzaak is van het gebrek aan effectieve vraag.
Het probleem is dus niet op enigerlei wijze een schaarsheid van de markt maar
een onbevredigende (vanuit het oogpunt van de kapitalist) verdeling van inkomen
tussen de ontvangers van loon en de ontvangers van overwaarde."
Wanneer de winstvoet daalt, wat leidt tot een daling van de kapitalistische
productie, wordt er kapitaal teruggetrokken, neemt de circulatie af en begint
er een crisis gevolgd door overproductie. Marx zei in "De theorie van de meerwaarde
(deel II): " Men mag nooit vergeten dat in geval van kapitalistische productie
het niet direct gaat om gebruikswaarde maar om ruilwaarde, en meer in het bijzonder
om de uitbreiding van de meerwaarde. Dat is de drijfveer van de kapitalistische
productie en het is een mooi begrip dat, om de tegenstellingen van de kapitalistische
productie weg te redeneren, weggenomen is van zijn eigen basis en er een systeem
van maakt dat zich bezighoudt met de directe consumptie van de producenten."
Paul Zweezy gebruikt dit argument als volgt: "De specifieke vorm van een kapitalistische
crisis is een interruptie van het circulatieproces teweeggebracht door een daling
van de winstvoet tot een niveau dat lager is dan normaal. Het is interessant
en leerzaam te stellen dat de moderne zakencyclus theorie tot een conclusie
is gekomen die, ofschoon schijnbaar zonder enig verband, in feite toch erg veel
lijkt op een marxistische standpunt. Moderne theoretici beginnen op een lager
abstractieniveau dan Marx. Voor hen is de kapitalistische klasse in twee secties
verdeeld. Ondernemers die het proces van de kapitalistische productie leiden
en organiseren en geld kapitalisten die middelen ter beschikking stellen in
de vorm van leningen die ondernemers nodig hebben voor hun activiteiten. Ondernemers
kunnen ook kapitaal bezitten maar als ze dat al doen wordt dit meer gezien als
een lening met interest aan zichzelf. Onder deze aannames zal de ondernemer
het de moeite waar vinden kapitaal te investeren zolang de winstvoet die hij
ontvangt groter is dan de interest die hij moet betalen. Op het moment dat de
winstvoet lager wordt dan de rentevoet heeft de ondernemer niet langer een reden
om te investeren, wordt de circulatie onderbroken en begint de crisis.
De noodzaak om na de Tweede Wereldoorlog de puinhopen weer op te bouwen leidde
tot een nooit vertoonde groei van de wereldwijde industriële productie. Tussen
1950 en 1970 groeide de productie met een gemiddelde van zes procent per jaar
en zelfs in de periode 1970-1980 was de gemiddelde groei nog 2.4 %. Deze toenames
gelden alleen voor de productie. De groei van de dienstensector zoals banken,
verzekeringen, reclame, toerisme e.d. was zelfs nog groter en deze activiteiten
maakten een steeds groter deel uit van het BNP van de meeste ontwikkelde landen.
Volgens Paul Kennedy, de schrijver van ' De opkomst en ondergang van de Grootmachten',
groeide sinds 1945 de economie wereldwijd meer dan in de hele wereldgeschiedenis
voor 1940. Het BNP product verviervoudigde van 1950 tot 1980 van twee triljoen
tot acht triljoen dollar.
Tijdens deze periode deden zich in de kapitalistische economie verschillende
crisissen voor. Wanneer ze herstelden van een recessie dachten de kapitalisten
dat zij er in geslaagd waren om het probleem van de dalende productie voor altijd
te hebben opgelost. Maar wat werkelijk gebeurde was dat de productie crisis
nog sterker en verstrekkender terugkwam. De oplossing die men voor deze situatie
zocht was het toepassen van de theorie van Keynes ten aanzien van staatsinterventie,
te weten het verlagen van de rentevoet van de centrale banken en het terugbrengen
van begrotingstekorten. Kort samengevat: massale en krachtige interventie door
de staat in iedere tak van de economie. Al deze economische ordewoorden vertrouwden
voornamelijk op de toenemende ontwikkeling van krediet en schuld. De crisis
van 1970 werd voornamelijk te boven gekomen door grote kredieten te verstrekken
aan de landen van de Derde Wereld. Later, bij het herstel na de crisis van 1981-1982,
werd duidelijk dat de Derde Wereld onmogelijk de schulden, die inmiddels honderden
miljarden dollars bedroegen, terug kon betalen. Zodoende waren ze dus niet langer
in staat om de overproductie van de kapitalistische imperialistische landen
op te nemen.
Om deze situatie op te lossen begon de USA de overproductie die niet in de Derde
Wereld verkocht kon worden op te nemen, wat natuurlijk leidde tot enorme tekorten
op de handelsbalans van de USA. In 1987 had het tekort op de handelsbalans een
ongekende hoogte bereikt: 171 miljard dollar. Sinds 1971, het eerste jaar waarin
de USA een handelstekort had, had dit land steeds meer ingevoerd dan uitgevoerd.
Het tekort op de handelsbalans wordt veroorzaakt door de erosie van de productie
industrieën van de USA die al lang aan de gang is. Een groot deel van de economie
bestaat uit diensten. Sommige diensten zoals transport, tuinarchitectuur, catering
e.d. kunnen niet geëxporteerd worden. Sommige diensten kunnen niet opgeslagen
worden zelfs niet voor een dag, zoals luchtreizen die na de 11e september werden
uitgesteld of afgezegd. Zelfs de toename van groeiende diensten zoals consultancy,
rechtsbijstand, bankieren e.d. is niet voldoende om de goederen en diensten
die ieder jaar geïmporteerd worden te compenseren. In de jaren negentig was
de groei in de USA lager dan in de jaren tachtig. Momenteel is er een vertraging
van de groei te zien. Niet alleen de USA worden nu met een crisis geconfronteerd,
ook landen die met succesverhalen kwamen zoals Japan en Duitsland zitten nu
met een recessie opgescheept. In Duitsland daalde het BNP met ongeveer 1 procent
en de industriële productie daalde met zes tot zeven procent. In Japan daalde
de productie van staal en auto's met ongeveer 10%. Engeland kent nu de grootste
recessie sinds 1930. Zweden heeft te maken met de grootste crisis van de laatste
veertig jaar. Na de politieke 'boom die de hereniging met zich meebracht kwam
Duitsland vanaf 1991 in een recessie terecht. Japan zag zich, getroffen door
de dalende importen van de USA en andere grote industrielanden, geconfronteerd
met een ononderbroken daling van de groei.
De economie van de eurozone staat op de rand van een recessie. Een indicator
van een consortium van leidende Europese onderzoeksinstituten stelt dat de jaarlijkse
economische groei tot 0.4% zal terugvallen in het eerste kwartaal van 2002.
Het consortium stelt dat totaalbeeld voor de eurozone voor de korte termijn
zwak is en dat er weinig vertrouwen is. Derhalve kan het ontstaan van een recessie
niet uitgesloten worden. Op de Duitse televisie stelde Hans Eichel, Duitslands
minister van Financiën op 12-11-2001 dat Europa er beter stond dan de USA of
Japan om de storm te trotseren. Hij beloofde dat de regering niet zou proberen
om door meer uit te geven uit de crisis te geraken en hij zei dat grote tekorten
op de begroting niet het juiste antwoord waren. " Ze hebben dat in Japan geprobeerd
en de gevolgen waren rampzalig. Ze hebben nu een tekort dat drie keer groter
is dan dat van Duitsland en nog zitten ze in een diepe recessie", zo stelde
hij. Economisten stellen dat de lagere inkomsten tot gevolg hebben dat het begrotingstekort
kan oplopen tot 2.6%. En dat is dicht bij de 3% grens die de regeringen in de
eurozone met elkaar zijn overeengekomen.
In 2001 was er in de USA een recordaantal faillissementen, zowel van bedrijven
als particulieren. Nu de economie in het slop zit en de bedrijven en huishouden
met hoge schulden zitten is het aantal faillissementen in 2002 al hoger dan
1.4 miljoen faillissementen van 1988.
De Amerikaanse staalindustrie is het slachtoffer geworden van grootschalige
productiemethodes en het verplaatsen van de productie naar goedkope gebieden
als China. Het aandeel van de industrieel productie dat in het begin van de
jaren vijftig nog 50% van het BNP van de USA uitmaakte is nu gezakt tot zo'n
16 tot 18%. Het maken van staal in de USA is duur en men heeft minder technologische
kennis. Zodoende kunnen producenten in China een lagere prijs vragen. Om deze
situatie op te lossen heeft president Bush, kampioen van de vrije handel, sectie
201 van de Amerikaanse Handelswet uit 1974 van kracht verklaard om zo voor de
Amerikaanse staalindustrie 30 miljard dollar veilig te stellen. Er gelden nu
import tarieven voor 10 onderdelen die variëren van 8 tot 30 %. Deze heffingen
op staal zullen tot hogere prijzen leiden en over de hele economie gezien leiden
tot het verlies van 40.000 tot 75.000 banen.
De huidige initiatieven van de USA om de staalindustrie wereldwijd te herstructureren
door middel van besprekingen in de OESO zijn er op gericht om een acceptabele
oplossing te zoeken voor de overcapaciteit van staal op kosten van de andere
leden. De USA beweren dat de crisis in de Amerikaanse staalindustrie veroorzaakt
is door wereldwijde overproductie en dat men door middel van lage prijzen dit
overschot naar de USA wil exporteren. Deze ontwikkeling is versterkt door de
steun die de staalindustrie in de verschillende landen van hun regeringen ontvangen
hebben. Wat de tegenstellingen tussen de USA en de rest van de OESO ook mogen
zijn, feit blijft dat er wereldwijd een overcapaciteit is van 150 miljoen ton
staal. Tot de belangrijkste landen die met een overcapaciteit zitten behoren
ook Rusland, Oekraïne, Brazilië en sommige republieken van CIS. Met de krimpende
economie van de voormalige Sovjet Unie ontstond er de verwachting dat hun staalcapaciteit
ook zou krimpen. Maar dit is niet gebeurd. Doordat de koers van de roebel en
de hrivna ten opzichte van de dollar steeds gedaald is en de aanhoudende problemen
met buitenlandse valuta kon het Russische staal tegen zeer lage dollarprijzen
gekocht worden. Daardoor zijn CIS en Rusland in de positie om de staalmarkten
in andere landen te destabiliseren.
Brazilië is, voor wat betreft staal, steeds afhankelijk geweest van export aangezien
de staalproductie van dit land steeds veel hoger is geweest dan het binnenlandse
staalverbruik. Haar economische problemen hebben er toe geleid dat zij nu hun
staal op een agressieve manier proberen te slijten. De stappen die de USA, gevolgd
door Europa, nu hebben genomen zullen er waarschijnlijk toe leiden dat staalcapaciteit
in deze landen geherstructureerd zal worden. Vanuit India bezien betekenen de
Amerikaanse importbeperkingen een forse klap voor de Indische export.
Ford Motor Company meldde een netto verlies van 5 miljard dollar over het vierde
kwartaal van 2001 ten gevolge van een uitgebreide herstructurering die gepaard
gaat met het verlies van tienduizenden banen en de sluiting van een aantal fabrieken.
Als onderdeel van haar herstructureringsplannen kondigde Ford aan dat ze 10%
van haar personeel, oftewel 35.000 mensen, wereldwijd wil laten afvloeien en
haar productiecapaciteit met 16% wil verlagen. Alle drie grote autoproducenten
uit Detroit hebben te leiden van de Amerikaanse recessie, de overcapaciteit
en de toenemende concurrentie van Europese autoproducenten.
Het aantal Afrikaanse landen dat tot de minst ontwikkelde landen behoort nam
toe van 16 tot 28, het BNP daalde met een vijfde en de lonen zakten 50%. In
Latijns Amerika zakten de lonen 15 tot 20%. In alle landen van Azie, Afrika
en Latijns Amerika daalde de werkgelegenheid.
"Het Ontwikkelingsprogram van de Mens van de Verenigde Naties rapporteerde dat
de kloof tussen de rijke en machtige landen enerzijds en de ontwikkelingslanden
anderzijds tussen 1960 en 1989 verdubbelde. Deze resultaten zijn voor een groot
deel veroorzaakt door dubbele politiek die de rijke heersers doorvoeren: 'vrije
markt' principes worden aan de armen opgelegd door middel van de Structurele
Aanpassingsprogramma's van het IMF en de Wereldbank die optreden als deurwaarder
voor de landen die geld geleend hebben aan de Derde Wereld. Susan George stelt
heel passend dat tegelijkertijd de machtige landen hun eigen bedrijven beschermen
tegen de desastreuze gevolgen van de markt, en dit voornamelijk op kosten van
de Derde Wereld." (Noam Chomsky: World Order, Old and New, 1994).
Terwijl miljarden mensen in de Derde Wereld in bittere armoede leven en in het
Westen miljoenen mensen hun lonen, sociale zekerheid en werkgelegenheid naar
beneden zien gaan valt niet te verwachten dat de markt zal groeien. Dit wil
niet zeggen dat de markt als systeem verzwakt is. Integendeel, de laatste vijftien,
twintig jaar is het systeem juist sterker geworden. De ineenstorting van het
Sovjet-blok, het verdwijnen van de zogeheten ' Niet Gebonden Landen' in de Derde
Wereld, de Structurele Aanpassings Programma's van het IMF, de Wereldbank en
recentelijk de WHO en ook de toetreding van China tot de WHO hebben de markt
nieuwe triomfen gebracht.
"In zijn verdere ideologische expressie wordt de triomf van de markt gezien
als een overwinning van de 'vrijheid' (en het einde van de geschiedenis). In
deze versie is vrijheid op de allereerste plaats economische vrijheid die niet
beperkt wordt door de aanwezigheid van gelijkheid van kansen, van bronnen of
concurrentie - het gaat alleen maar om de vrijheid van kapitaalbezitters om
dit vrijelijk te gebruiken. Dit suggereert dat arbeidersorganisaties gezien
kunnen worden als niet verenigbaar met 'vrijheid'. Dit zou kunnen verklaren
waarom bankiers, het IMF en de Economische School van Chicago Pinochets afschaffing
van de democratie in Chili in 1973 toejuichten toen daarmee de vakbonden onderdrukt
werden en de regeringsinterventies die de kapitaalmarkt 'onderdrukten' werden
stopgezet." (Triomf van de markt, Edward Herman, 1995)
De zwakke mogelijkheden voor de uitbreiding van de markt worden derhalve veroorzaakt
door de crisis van het kapitalisme zelf. De vraag waarom de markt geïsoleerd,
los van het kapitalisme, gezien moet worden stelt zich daarom. Al vanaf de prille
prehistorie hield de mens zich tot op zekere hoogte bezig met ruilhandel. Maar
de markt werd kapitalistisch toen deze een dwingende macht werd. De markt beschouwen
als zijnde onafhankelijk van het kapitalisme is hetzelfde als ' het kapitalisme
zien zonder kapitalisten', een zin die F. Engels gebruikte om de Tweede Internationale
te omschrijven.
De technologische revolutie en de toename van de productie
Voordat we de Technologische Revolutie en de toename van de productiviteit
bediscussiëren moeten we eerst vaststellen wat technologische revolutie inhoudt.
Harry Braverman geeft in zijn boek ' Arbeid en Monopoliekapitaal' een nieuw
inzicht in de definitie van de technologische revolutie. " In het laatste kwart
van de 19e eeuw, begon 'de uitputting van de technologische mogelijkheden van
de Industriële Revolutie' zoals Landes dat omschreven had. De nieuwe wetenschappelijk-technische
revolutie die nieuwe technologische mogelijkheden gaf, had , in tegenstelling
tot de oude, een doelbewust karakter. In plaats van spontane innovaties die
indirect veroorzaakt werden door het sociale productieproces kwam de geplande
vooruitgang van de techniek en de geplande ontwikkeling van producten. Dit werd
mogelijk doordat de wetenschap zelf nu ook een product was geworden dat verkocht
en gekocht kon worden zoals de andere factoren (arbeid en grondstoffen) die
bij de productie een rol speelden. Terwijl de wetenschappelijke kennis eerst
buiten de economie stond nam het nu een plaats in op de balans. Zoals bij alle
producten wordt de verstrekking ervan bepaald door de vraag met als resultaat
dat de ontwikkeling van materialen, energiebronnen en processen minder toevallig
is geworden maar veel meer afhangt van de onmiddellijke noden van het kapitaal.
De wetenschappelijk-technische revolutie kan derhalve niet gezien worden in
termen van specifieke innovaties -zoals dat bij de Industriële Revolutie, die
gekwalificeerd kan worden als een handvol sleutel-innovaties, wel het geval
was- maar veel meer in zijn totaliteit, als een manier van productie waarbij
wetenschap en diepgaande natuurkundige onderzoeken een wezenlijk onderdeel van
het normale functioneren zijn gaan vormen. De sleutel-innovatie is niet te vinden
in de chemie, de elektronica, automaten, aeronautica of kernfysica of andere
wetenschappelijke technologieën maar veel meer in de transformatie van de wetenschap
zelf in kapitaal."
Er is heel wat gepraat en te doen geweest over de "transfer van technologie"
of over de "technologietransfer" van de ontwikkelde landen naar de onderontwikkelde
landen. Hierbij gaat het om de vraag: "Wat is transfer?" Men praat niet over
de transfer van ijzer, koper of katoen e.d. Ook niet over koop en verkoop. Myrdal
noemde dit de "diplomatie door middel van terminologie". Doordat er sprake is
van een contractuele 'transfer', betreedt de technologie het commerciële gebied
en komt het buiten het laboratorium terecht. De term 'transfer' geeft het bestaan
van een beperkt begrip van de markt voor technologie aan. Overigens, technologie
wordt in dit proces van commercialisering belichaamd in de vorm van tussenproducten,
machines en uitrusting, vaardigheden van mensen, kortweg het hele systeem van
productie, marketing en distributie. De technologie is dus deel van een groter
geheel. De markt voor de technologie is dus niet onafhankelijk maar een deel
van de hele markt.
De nieuwste informatietechnologie ontwikkelt zich razendsnel. Jacques Arlandis
zegt in zijn boek "De Tread and Cyber world": "Het internet is een virtueel
continent, het zevende continent waar je al snel alles kwijt kunt wat ook op
de echte continenten bestaat. Maar dan zonder de dwang van de stoffelijkheid:
bibliotheken, winkels, binnenkort productiefabrieken, kranten, filmstudio's,
ziekenhuizen, rechters, politiemannen, hotels, astrologen, ontspannings- en
vermaakplekken. Binnen dit continent, zonder werkelijke bewoners, zal zich een
enorme handelsactiviteit ontwikkelen tussen de virtuele agenten van een pure
en perfecte markteconomie."
Degene die beweerden dat de "Wet van de dalende opbrengst" vervangen is door
de "Wet van de toenemende opbrengst" kregen een zware schok na "Zwarte Vrijdag"
in april 2000. Ze zijn nog steeds niet van de schok bekomen.
De speculatie-kapitalisten worden verdwijnende kapitalisten. Toen vorig jaar
de economie de verkeerde kant uitging, ging het ook bergafwaarts met het lot
van miljarden dollars in speculatieve investeringen die veel ondernemingen gedaan
hadden. Microsoft moest in 2001 5.7 miljard dollar uit haar boeken strepen omdat
de waarde van haar investeringen in de telecommunicatie en internetbedrijven
omlaag ging. Wells Fargo Co verloor zo 1.2 miljard dollar aan speculatief kapitaal
en Intel 632 miljoen dollar.
De Nieuwe Economie, gebaseerd op de Informatietechnologie, is geen andere economie
en kwetsbaarheid is geen nieuwe factor. De informatie revolutie is nieuw, maar
het is de nieuwste in de reeks golven die sinds de Industriële Revolutie te
zien zijn geweest. Zij die nooit een geschiedenisboek hebben gelezen beweren
dat ze midden in de grootste verandering van de laatste duizend jaar zitten.
Zij zouden er toch grote moeite mee hebben om uit te leggen dat de moderne informatica
revolutionairder is dan de stoommachine, de spoorweg, de telegraaf, elektriciteit,
de auto, het vliegtuig enzovoorts. Al deze golven kwamen tot een bepaald hoogtepunt
en leidden vervolgens tot een crash. Niet door de technologie als zodanig maar
vanwege de kwetsbaarheid van de aandelenmarkt.
Los van de nieuwe technologie zijn er nog andere redenen voor de economische
'boom'. Zo zijn er de hoge winsten en financiering op basis van lage kosten,
voornamelijk middels de aandelenmarkt, die zorgden voor ongekend hoge investeringen
van het bedrijfsleven in allerlei machines en die dus een toename van de productie
met zich mee brachten. Bijna 25 procent van de economische groei sinds 1996
is het gevolg van de groeiende aandelen- en onroerendgoedmarkt, zo stelde Greenspan,
voorzitter van de Federale Bank van de USA. De technologie is dus niet het probleem,
het probleem is wie de technologie controleert, hoe die gebruikt wordt, met
welk doel en voor wie hij bedoeld is.
Alvin Toffler was in januari dit jaar in India. Hij was de eerste die schreef
over de communicatie revolutie en de herstructurering van bedrijven. Hij kwam
met de inmiddels geaccepteerde term 'toekomst schok' en in zijn boeken 'De derde
golf', 'Oorlog en anti-oorlog' en ' Machtswisseling' introduceerden nieuwe termen
als 'derde golf' en 'demassificatie'. Volgens Toffler was de Eerste Golf die
de geschiedenis veranderde de agrarische revolutie toen de jagende en verzamelende
stammen overstapten op de landbouw zo'n 10.000 jaar geleden. De Tweede Golf
kwam zo'n 300 jaar geleden met de industriële revolutie en de Derde Golf is
de vervanging van handarbeid door hoofdarbeid .
Hij sprak voor wetenschappers en alle captains of industry. Hij was een vertegenwoordiger
van de Derde Golf en dat gold ook voor de meeste mensen uit zijn publiek. De
hele bijeenkomst was nogal hectisch. Toffler zelf was wat voorzichtig. Hij stelde
dat de economie opnieuw moest worden uitgevonden op dezelfde manier zoals de
economie in de 18e eeuw was uitgevonden. Maar hij waarschuwde ook: "Als U te
maken hebt met een of andere verandering, technologisch of sociaal, heeft dat
niet alleen betrekking op één soort verandering maar op duizenden soorten veranderingen
die allemaal met elkaar verbonden zijn… Conflicten zijn inherent aan veranderingen,
een conflict is niet altijd negatief, maar het kan ook erg gevaarlijk zijn."
Degenen die zeggen dat kennis handelswaar is geworden hebben gelijk. Toffler
vroeg voor zijn toespraak van 50 minuten 50.000 dollar, 1000 dollar per minuut.
De nieuwste informatie technologie legt de tegenstelling tussen de productiekrachten
en de productierelaties bloot en maakt binnen het kapitalisme een nieuwe sociale
orde duidelijk die niet gerealiseerd kan worden zonder het kapitalisme te boven
te gaan.
Hen Hirschkop, een onderzoeker van de Universiteit van Manchester, scheef in
zijn artikel 'Democratie en de nieuwe technologieën' (2001) en grafschrift voor
de informatie technologie.
"De laatste jaren zijn voor socialisten en gematigde sociaal democraten niet
er bemoedigend geweest. In het kielzog van talloze nederlagen en teleurstellingen
is het idee dat het kapitalisme technologisch een brug te ver gaat en zich zo
te gronde richt, verleidelijk. Wie kan weerstand bieden aan het idee van de
dichterlijke rechtvaardigheid dat het bedrijfsleven zijn eigen graf graaft door
de massa's van goedkope high-tech te voorzien? Maar de aantrekkingskracht van
dichterlijke rechtvaardigheid komt nooit overeen met wat er werkelijk gebeurt
en wat men voor zijn eigen ogen ziet gebeuren. Wanneer de structuur van een
maatschappij afhangt van een gebrek aan democratie zullen er ook sociale krachten
zijn die er belang bij hebben om voor democratie te vechten. De technologie
zal ongetwijfeld een rol spelen in deze strijd maar het biedt geen kortere weg:
men kan democratie niet uit voorraad kopen of van internet downloaden. Het vereist
moed, kracht en politieke organisatie en voor zover we nu weten heeft Microsoft
nog geen software gemaakt die deze dingen kan leveren."
Speculatie op de financiële en aandelenmarkt
Toen de USA het overschot aan productie dat niet aan de Derde Wereld kon worden
verkocht omdat die vanwege hun hoge schulden niet in staat waren de overproductie
van de imperialistische landen te kopen, niet kon opnemen kreeg de USA te maken
met een enorm te kort op de begroting. De remedie om dit probleem op te lossen
was een enorme speculatie op de beurs om zo uit heel de wereld kapitaal aan
te trekken. Dit leidde tot een kunstmatige toename van de bedrijfscijfers en
dit creëerde de illusie van intensieve economische activiteit. De verschuiving
van goederen- en dienstenstromen naar kapitaalbewegingen, valutahandel en schuldstromen
leidde tot internationale of transnationale geldstromen. De wereldhandel in
goederen is nog steeds groter dan ooit tevoren en dat geldt zeker voor de 'onzichtbare
handel', de handel in diensten. Allebei samen gaat het om 3 tot 4 triljoen dollar
per jaar. Maar de Londense Euro Dollar Markt waar de financiële instituten van
de wereld geld lenen en uitlenen bedraagt 300 miljard dollar per dag oftewel
75 triljoen dollar per jaar. Dat is 25 keer meer dan de handel in goederen.
Daarnaast is er ook nog de valutahandel waar de ene valuta tegen de andere verhandeld
wordt. Hierbij gaat het om 150 miljard dollar per dag zijnde 35 triljoen dollar
per jaar. Maar veel van deze dollars, euro's, yen en Zwitserse Franken gaan
zo van de ene zak naar de andere en kunnen meer dan een keer zijn meegeteld.
De daling van de werkelijke economische activiteit veroorzaakt door de overheersing
van het financiële kapitaal heeft zijn effect op alle landen en leidt tot een
wereldwijde crisis. De prijzen van industriële aandelen zakten in Engeland en
Japan met 300%, in Frankrijk met meer dan 200% en in de USA en Duitsland met
150 tot 200%. Maar de toename van de speculatie werd niet ondersteund door een
relatieve groei van de industriële productie. Interne economische problemen
in de imperialistische landen, concentratie van de wereldhandel bij een kleine
groep kapitaalexporterende landen, willekeurige handelsvoorwaarden, enorme terugbetalingen
van de Derde Wereld landen en een gebrek aan koopkracht bij de mensen in de
Derde Wereld zijn de gevolgen van deze operaties van het financierskapitaal.
Vier jaar geleden, toen de zogeheten Aziatische Tijgers met een economische
crisis te maken hadden, gaven veel deskundigen de schuld aan het 'kapitalisme
van de vriendjespolitiek'. Nu, naar de Enron crisis stelde Paul Krugman van
de universiteit van Princeton in de New York Times dat de laatste onthullingen
in de Enron affaire nog meer dingen naar boven zal brengen over het 'vriendjespolitiek
kapitalisme' zoals dat in Amerika bekend is. "Het kapitalisme van de vriendjespolitiek
is in de USA niets nieuws. De Clinton-regering leidde ons tot de rand van een
handelsoorlog in naam van Chiquita bananen, een belangrijke geldschieter van
Clintons campagne." Verder citeert hij uit het zakenblad "Red Herring" dat stelde
dat "de grootste onthulling over de Carlyle groep, een investeringsmaatschappij,
niet onderdeed voor het verhaal van een slechte tv-serie. Carlyle specialiseerde
zich in het opkopen van defensiecontracten die ze vervolgens weer verkocht tegen
veel hogere prijzen omdat men inmiddels op wonderbaarlijke wijze nieuwe orders
van de regering had gekregen. Een van de werknemers van het bedrijf is de voormalige
president George Bush. Tot oktober afgelopen jaar was ook de Saoedische familie
Bin Landen een van de investeerders in Carlyle." Ook het verhaal van Enron onthult
de lelijke kanten van het moderne kapitalisme.
Lessen uit de Enron affaire zijn niet alleen relevant voor de USA maar voor
veel meer landen en zij werpen fundamentele vragen op over waar de kapitaalmarkten
nu werkelijk voor bedoeld zijn. Het falen van de zogenaamde analisten van Wall
Street heeft investeerders heel wat geld gekost. Het aandeel Enron viel van
85 dollar naar 30 cent. De werknemers van Enron die hun salaris en pensioen
in aandelen en opties van Enron gestopt hebben zullen het nu met die luizige
30 cent moeten doen. In hun hebzucht naar snel geld werden ze het slachtoffer
van de vraag van speculatief kapitaal.
De economische adviseur van president Bush, Larry Lindsey, noemde de val van
Enron 'een eerbetoon aan het amerikaanse kapitalisme'. De staatssecretaris van
Financien geeft 'de geest van het kapitalisme' de schuld. Wat bedoelen zij hiermee
? Bedrijven die zich zelf niet goed besturen storten in elkaar. En in de toekomst
kunnen ze als een phoenix weer uit hun as herrijzen. Of nieuwe bedrijven komen
naar voren.
Dit doet ons denken aan wat Voltaire 250 jaar geleden in zijn boek "Lessen over
Engeland" schreef: "Kom eens naar de Londense Aandelenbeurs, een plaats met
meer aanzien dan de meeste gerechtshoven. U zult daar vertegenwoordigers van
iedere natie bij elkaar zien voor het welzijn van de mensheid. Hier de Jood,
de Mohammedaan en de Christen die met elkaar handelen alsof ze tot dezelfde
religie behoorden. En ze bewaren de term 'onbetrouwbaar' voor diegenen die failliet
gaan. Hier stelt de Presbyteriaan vertrouwen in de Wederdoper en de Anglicaan
aanvaardt een schuldbrief van een Quaker. Nadat men deze vredige en vrije bijeenkomsten
verlaten heeft gaat de een naar een synagoge, de ander naar een café en weer
een ander neemt een warm bad in de naam van de vader, de zoon en de heilige
geest, weer een ander laat bij zijn zoon zijn voorhuid verwijderen onder het
geprevel van wat onverstaanbare Hebreeuwse woorden. En sommigen gaan met hun
hoed op naar de kerk om goddelijke inspiratie op te doen. En allen zijn zij
tevreden."
Kenneth Lay, de voorzitter van Enron, verdiende meer dan 100 miljoen dollar
aan de verkoop van Enron aandelen. Lou Pai, voormalige voorzitter van een dochtermaatschappij
van Enron stak zo meer dan 350 miljoen dollar in zijn zak. Rebqua Mark, directeur,
ontving 80 miljoen dollar en zo zijn er nog een hele hoop die miljoenen dollars
opstreken. Allemaal tevreden en respectabele mensen. Zij bewieroken het Amerikaanse
kapitalisme en bewaren de term 'onbetrouwbaar' voor de miljoenen kleine aandeelhouders
en werknemers van Enron.
De aandelenbeurs is geen nieuwe instelling. Het kopen van aandelen met het idee
dat de prijs gaat stijgen en vervolgens deze aandelen met winst verkopen is
niets nieuws. Wat nieuw is, is dat in de jaren zeventig, tachtig en negentig
dat men zoveel aandelen opkoopt dat men de controle over grote bedrijven verwerft.
Vaak gaat het er niet om om het management van het bedrijf te bepalen maar om,
door middel van de zojuist verworven zeggenschap, het bedrijf leeg te plunderen.
De financiële uitbuiting heeft op de markt ook een aantal nieuwe variaties geïntroduceerd
zoals opties en 'stock futures'. Deze 'futures' zijn overeenkomsten over een
contract om een bepaalde hoeveelheid aandelen te kopen of te verkopen, waarbij
de prijs door de koper en verkoper al is overeengekomen, op of voor een bepaalde
datum. Zowel de koper als de verkoper zijn verplicht het betreffende pakket
te kopen of te verkopen. Bij opties heeft de koper het recht maar niet de plicht
om de betreffende aandelen te kopen. De werknemers van Enron verloren hun salaris
en pensioen aan deze vorm van aandelenhandel. Het gokken leidde tot hun faillissement.
Op één enkele dag, 9 oktober 1987, verloren investeerders op Wall Street 500
miljard dollar. Dit had ook grote gevolgen voor Londen, Paris, Hong Kong, Frankfurt,
Tokyo enzovoorts. In deze periode steeg de waarde van industriële aandelen met
300% in Engeland, 150 % in de USA en Duitsland, 220% in Frankrijk en 300% in
Japan. Maar deze speculatieve stijging werd niet ondersteund door een relatieve
groei van de industriële productie. De val van de Amerikaanse aandelenmarkt
op vrijdag 14-4-2000, die bekend staat als "Dolle Vrijdag", betekende volgens
experts het grootste verlies dat ooit op één dag gerealiseerd werd.
Het geloof in het heilzame effect van de aandelenmarkt en de financiële betrokkenheid
van investeerders wereldwijd lijkt een punt bereikt te hebben waarop niet meer
kan worden omgekeerd. Investeerders houden simpelweg vast aan optimisme, drijven
de prijzen op en hopen ondertussen dat hun winsten het bewijs zijn van hun slimheid.
Maar deze hoop doet niets af aan het onweerlegbare feit dat er vroeg of laat
moet worden afgerekend hoe hard men zich ook inspant. Op "Dolle Vrijdag" waren
de investeerders getuige van een verwoesting die veroorzaakt werd door een klein
scheurtje in de vernis van de hoop. Toen ze dit zagen werden ze bang genoeg
om zich opnieuw achter het bolwerk van het optimisme te haasten. Wat is dit
optimisme als het niet gewoon zuivere speculatie is?
Nu we het toch over het speculatieve karakter van het financieringskapitaal
hebben is het een goed moment om de woorden aan te halen van een belangrijke
marxistische econoom, Paul Zweezy, zoals die tien jaar geleden te lezen waren
in de Monthly Review van December 1991.
"Waarom faalde het monopolie kapitaal vooruit te lopen op de veranderingen
in de structuur en het functioneren van het systeem zoals die zich de laatste
25 jaar voordeden? In wezen denk ik dat het antwoord ligt in het feit dat de
conceptualisatie van het accumulatieproces van het kapitaal eenzijdig en niet
volledig is. In de gevestigde traditie van zowel de Marxistische economie als
de gangbare economie zien we kapitaalaccumulatie voornamelijk als de optelling
van de voorraad van bestaande kapitaalgoederen. Maar in werkelijkheid is dit
slecht een deel van het proces. Bij accumulatie gaat het ook om het optellen
van de financiële bezittingen. Deze twee aspecten hebben natuurlijk veel invloed
op elkaar maar de aard van deze verbondenheid en wisselwerking is op zijn minst
problematisch te noemen. De traditionele manier waarop deze kwestie werd benaderd
was het wegredeneren ervan: bijvoorbeeld het kopen van aandelen en obligaties
(twee eenvoudige vormen van financiële waardepapieren) wordt gezien als een
louter indirecte manier om werkelijke kapitaalgoederen te kopen. Dit is nauwelijks
waar en kan erg misleidend zijn."
Hij is eerlijk genoeg om te zeggen dat hij geen idee heeft hoe dit kan worden
opgelost en hij suggereert dat een beter begrip van de monopoliekapitalistische
samenleving van vandaag alleen maar mogelijk is op basis van een betere theorie
dan we nu hebben over kapitaalaccumulatie waarbij de nadruk gelegd moet worden
op de interactie tussen de werkelijke en de financiële aspecten.
De schulden van de verschillende landen
De Derde Wereld zit in een schuldenval of schuldencrisis en deze term werd
pas in de jaren tachtig geïntroduceerd. Wat houdt deze val eigenlijk in? De
imperialistische landen en hun banken gingen door met het verstrekken van leningen
aan de landen van de Derde Wereld en de Derde Wereld ging door met lenen. Ze
leenden weer om eerdere leningen en rente te kunnen (af)betalen waardoor men
op een gegeven moment de betalingsverplichtingen niet meer kon nakomen. Er ontstond
paniek bij de westerse banken en toen begin jaren tachtig Mexico en nog een
aantal Latijns-Amerikaanse banken niet meer konden terugbetalen stonden de banken
aan de rand van de afgrond. Doordat de Latijns-Amerikaanse landen er niet in
slaagden gezamenlijk tegen de schuldeisers op te treden kregen de banken weer
wat lucht om hun leningen te herstructureren waarbij zij gesteund werden door
hun regeringen en internationale organisaties. Hierdoor kon men geleidelijk
het verlies van hun uitstaande leningen afboeken. Maar de crisis bleef voortduren,
de enige verlichting was dat ze geen fataal punt bereikte. Dus duurt de crisis
voort.
Argentinië, een van de grootste landen van Latijns-Amerika, kon begin dit jaar
zijn buitenlandse schulden niet meer terugbetalen. Twee jaar geleden nog maar
werd Argentinië nog de hemel in geprezen als model voor macro-economische stabiliteit.
De belangrijkste oorzaak voor de economische problemen van Argentinië was de
beslissing van de regering om de vastgestelde wisselkoers tussen de peso en
de dollar (1 peso = 1 dollar) te handhaven. Maar gedurende de laatste paar jaar
is de dollar overgewaardeerd, waardoor de peso ook overgewaardeerd werd. Een
te hoog gewaardeerde munt maakt export duurder en import kunstmatig goedkoop.
De USA met zijn sterke dollar kende daarom ook een tekort op de handelsbalans
van 400 miljard dollar (voor 400 miljard dollar meer geimporteerd dan geexporteerd).
Maar de situatie wordt voor een land dat zijn munt gekoppeld heeft veel en veel
erger als investeerders het idee krijgen dat de peso gaat zakken. Ze vragen
dan steeds hogere rentepercentages. Deze enorme rentepercentages verlammen de
economie. Dat is de voornaamste reden waarom Argentinie niet in staat is gebleken
om de vier jaar durende recessie te boven te komen.
Om een overgewaardeerde munt in stand te houden moet een land hele grote dollarreserves
hebben. De regering moet garanderen dat iedereen die een peso tegen een dollar
wil ruilen deze dollar ook krijgt. De rol van het IMF in deze kwestie was cruciaal.
Het regelde grote leningen, inclusief de 40 miljard dollar, een jaar geleden,
om de peso te ondersteunen. Ter vergelijking: stel je voor dat de USA 1.4 triljoen
dollar zouden lenen - 70% van het federale budget - om een overgewaardeerde
dollar overeind te houden! Het duurde dus niet lang of Argentinië had een buitenlandse
schuld opgestapeld die onmogelijk nog kon worden terugbetaald.
Wat er in Argentinië gebeurde is geen nieuw verschijnsel. Het deed zich ook
al voor in Mexico in 1982 toen dit land dreigde haar buitenlandse schuld niet
meer terug te betalen. In 1987 was de buitenlandse schuld van Mexico 300 tot
550 procent groter dan de totale export van dat land.
De schuldencrisis kan niet verklaard worden door simpel te stellen dat men een
afgesloten lening vanwege een of andere reden niet meer terug kan betalen. Deze
crisis ontstond doordat het IMF en de Wereldbank, de economische politieagenten
van het imperialisme, een politiek van nieuwe wereldorde introduceerden. Het
hoofdthema van deze politiek was een 'marktvriendelijke benadering van ontwikkeling'.
De politieke recepten voor de Derde Wereld, de Structurele Aanpassingsprogramma's
(SAP), zagen er als volgt uit: De regering mag zich niet bezighouden met het
produceren van goederen en ze mogen zich niet met de markt bemoeien. De regeringen
moeten de economie dereguleren zodat de markt de prijzen kan bepalen en het
proces van de investeringen kan kanaliseren. De enige taak van de regering is
het bouwen en onderhouden van de infrastructuur voor de marktpartijen. Ze moeten
alle handelsbarrières opruimen en hun economie openstellen voor de internationale
handel en investeringen.
Het IMF, de Wereldbank, de WHO en dergelijke proberen de imperialistische economie
te reconstrueren door de landen van de Derde Wereld verder in de invloedsfeer
van de internationale handel te trekken om zo hun eigen crisis te boven te komen
door deze naar de Derde Wereld te verplaatsen. Deze instellingen dwingen de
leners zich te onderwerpen aan allerlei offensieve voorwaardes zoals het verstrekken
van alle mogelijke informatie over hun economie, het verplicht voorleggen van
hun plannen aan de Wereldbank en het IMF en allerlei controle op het gebruik
van leningen. Dit is dus een van de gevolgen van de schulden val.
In de meeste landen van de Derde Wereld hebben de SAP's een verwoestende uitwerking
gehad met als gevolg een sterke daling van de kwaliteit en kwantiteit van de
openbare diensten zoals gezondheidszorg, onderwijs, volkshuisvesting, watervoorziening
en een sterke stijging van de kosten. In Afrika ten zuiden van de Sahara hebben
deze bezuinigingen er toe geleid dat de maandsalarissen van de leraren gezakt
zijn tot zo'n 15 dollar per maand. De zwakke munten van de landen van de Derde
Wereld zijn regelmatig gedwongen gedevalueerd. Deze devaluaties zorgden steeds
voor een daling van de reële lonen van de werkende bevolking. Tegelijkertijd
werd hun exportpositie er niet door verbeterd maar verlaagde dit juist de waarde
van geëxporteerde goederen. Verder wordt de daling van de vraag gebruikt om
de prijzen van grondstoffen naar beneden te drukken. De internationale monopolies
daarentegen houden de prijzen van hun producten hoog. Bij de grondstoffen, inclusief
landbouwproducten, waar de productie niet volgens het principe van het monopolie
geregeld wordt is er sprake van een aanzienlijke prijsdaling. Op die manier
wordt er weer een deel van de economische crisis overgeheveld naar de Derde
Wereld en dan vooral naar de agrarische sector.
Het schuldenprobleem geldt niet exclusief voor de Derde Wereld. De leider van
de Eerste Wereld, de USA, heeft niet zomaar een schuld maar de grootste schuld
ter wereld. Als de Amerikaanse economie in staat was om haar 'zichtbare' handelstekort
te dekken door inkomsten uit onzichtbare handel zoals diensten, inkomsten uit
investeringen en toerisme, zoals Engeland dat deed voor 1914, dan zou de situatie
een stuk minder ernstig zijn. Maar de 'onzichtbare' Amerikaanse inkomsten zijn
niet groot genoeg om het gat te dichten. Dit heeft tot gevolg dat de USA nu
zichzelf bedruipt door in het buitenland ieder jaar grofweg 100 miljard dollar
te lenen. De USA, die eens 's werelds grootste schuldeiser was, is in zekere
zin 's werelds grootste schuldenaar geworden in nog geen tien jaar tijd. (H.
Stout, 'US foreign debt widened last year', Wall Street Journal, 02-07-1990.
Geciteerd door Paul Kennedy in Preparing for the Twenty First century, 1993).
Volgens het rapport 'Financiering van de globale ontwikkeling' van de Wereldbank
is in de jaren negentig de stroom van FDI naar landen van de Derde Wereld geconcentreerd
naar een paar landen. Het deel van de tien grootste ontvangers - China, Brazilië,
Mexico, Argentinië, Polen, Chili, Maleisië, Korea, Thailand en Venezuela- is
nooit lager geweest dan 64%. Het rapport stelt dat veel export, een juiste politiek,
sterke economische programma's, privatisering en een sterke fusie- en aankoopgeest
verantwoordelijk zijn voor deze concentratie van FDI.